|
PTT RCD OD Ton van Schendel
Post-war report about wartime OD activities
This page holds a transcript of a report, written by
Ton van Schendel
for his wartime commander jhr. Pieter Jacob Six [1], about his work for the
Dutch resistance — the Ordedienst (OD) — during
World War II (WWII).
The report was written in the Dutch language, shortly after the war
(at an unknown date), and gives a detailed account of his wartime clandestine
activities, his arrest by the Germans, the interrogations, his time in prison,
and his deportation to Germany.
➤ About Ton van Schendel
|
below is a literal transcription of the
original report (in Dutch)
as filed by Anton van Schendel shortly after the war.
Codenames, or cover names, are all written in upper case, e.g. KAREL.
When available, the real name and further details can be revealed by
moving the mouse over the codename.
Annotations are added as grey boxes and as footnotes.
Handwritten additions to the original document are shown in red.
Redactional additions in are shown square brackets in red,
and additional headings are also in red.
Furthermore, some typos were corrected, such as the names
Haubrok (Haubrock) and Haren (Haaren).
➤ English translation
➤ Original report
English translation →
Mijn werkzaamheden en mijn verrichtingen als Chef Marconist van den O.D. en mijn belevenissen in de gevangenis.
Opgedragen aan den Chef van den Staf, Kolonel Jhr. P. J. Six.
CMC "Ton"
|
Voorgeschiedenis
Reeds in September 1940 was er middels HENK eenig contact
met de O.D. ofschoon er van daadwerkelijke medewerking nog geen sprake was.
De medewerking bestond veelal in het geven van advies, het doen van kleine
herstellingen aan radio ontvang en zend apparatuur.
In het begin van 1941 werd het contact inniger, in den aanvang vooral met
Vrij-Nederland, later met den O.D.
KAREL had een plan ontworpen, om Nederland te voorzien van een radionet,
opdat bij invasie en andere calamiteiten, bij een eventueel uitvallen van het
interlocale telefoonnet, er contact zou bestaan tusschen alle belangrijke
plaatsen in Nederland. Niet onmogelijk zou het kunnen zijn dat dit net
belangrijke diensten zou kunnen bewijzen met het doorgeven van
spionageberichten enz. Het plan was zoo geprojecteerd, dat er in elke
belangrijke plaats zouden komen een radio-commandant, een technicus en eenige
marconisten, terwijl de organisatie, waar de dienst zou worden ondergebracht
zou hebben zorg te dragen voor eenige code-officieren en een
verbindingsofficier tusschen den radio-commandant en den plaatselijken c.q.
gewestelijken commandant.
Het technische gedeelte; het doen bouwen van de vereischte apparatuur, het
inrichten van de zendposten, alsmede de leiding van het geheel berustte in
handen van KAREL met de titel van Chef van den Radiodienst (CRD),
terwijl aan mij als Chef Marconist (CMC) de zorg was opgedragen van het
aanzoeken c.q. opleiden van het benoodigde personeel, het regelen van het
proefverkeer, het samenstellen van de benoodigde voorschriften enz.
Inmiddels waren met vrij sobere resultaten enkele proefuitzendingen gedaan met
reeds bestaande apparatuur in een schoolgebouw in de omgeving van het
Leidscheplein in Amsterdam. Na verschillende besprekingen werd een zend- en
ontvangapparaat ontworpen, waarvan verwacht kon worden, dat onder alle
omstandigheden een redelijke verbinding tusschen de diverse plaatsen mogelijk
zou zijn.
Besloten werd te werken op 100 m, terwijl de apparatuur zoodanig zou
worden in gericht, dat gewerkt zou kunnen worden tusschen 95 en 105 m (3100 -
2900 kHz kortegolf). In praktijk voldeed de 100 m golf niet geheel aan de
gestelde verwachtingen, zoodat op mijn advies de golf werd verkort tot 85 a 90
m, terwijl later ook de zenders kristal werden gestuurd.
KAREL, die over zeer vele relaties beschikte, waarvan in de loop der jaren,
een dankbaar en veelvuldig gebruik is gemaakt, had via SJOERD ook contact
in Eindhoven, waaruit zeer veel radio-materiaal en lampen werd gesleept.
|
Tijdens de Tweede Wereldoorlog stonden de Philips fabrieken onder controle
van de Duitsers, en moest het bedrijf onderdelen maken voor Duitse
oorlogsapparatuur. Tegelijkertijd echter, leverde Philips in het geheim
onderdelen aan het verzet.
Inmiddels was ik begonnen het land af te stroopen om met de grootst mogelijke
omzichtigheid medewerkers te zoeken, waarbij een drie-maanden zogenaamd ziek
zijn bij de PTT uitstekende diensten bewees. Van den aanvang af heb ik mij
daarbij gewend tot de zend-amateurs, waarvan ik er persoonlijk zeer vele kende
en die voldoende technisch zijn onderlegd en in den regel voldoende routine
hadden in seinen en nemen, te meer daar door mij het tempo was bepaald op
12 woorden per minuut, opdat zonder te veel navragen het verkeer vlot zou
kunnen worden afgewikkeld.
Zeer veel medewerking en steun heb ik bij het "sorteeren" van de amateurs
mogen ondervinden van mijn vriend Th.C. van Braak uit Varsseveld (PA0GA),
die van de politieke gezindheid van vele amateurs zeer goed op de hoogte was.
Een woord van hartelijken dank aan Van Braak en zijn echtgenoote voor de hulp,
de vriendschap en de gastvrijheid acht ik mijn plicht.
Op het oogenblik dat ik deze woorden neerschrijf is omtrent het lot van
Van Braak nog niets bekend, geruchten spreken van opsluiting in het
concentratiekamp Oranienburg. Moge hij spoedig en gezond weer bij zijn
echtgenoote terugkeeren. Hij heeft zich op velerlei terrein voor de goede
zaak zeer verdienstelijk gemaakt.
|
Theodoor Christaan (Theo) van Braak, geboren 1898 te Wisch,
was onderwijzer en was gehuwd met Willemina Everdina Raterink.
Reeds voor de oorlog was hij radiozendamateur met de roepletters
PA0GA. Door van Schendel wordt hij daarom in het verhaal ook wel met de
letters 'GA' aangeduid. Op het moment dat van Schendel de bovenstaande alinea
schreef, wist hij nog niet dat van Braak reeds op 31 december 1944 in
concentratiekamp Gross Rosen bij Breslau was overleden.
Laat ik evenwel, voor ik verder ga uit wijden over den opbouw van dat
binnenlandsche net, eerst wijzen op die ontelbare Nederlandsche zendamateurs,
die hun plicht jegens hun vaderland hebben gedaan en waarvan velen niet
geaarzeld hebben het grootste offer, dat zij konden brengen, - hun leven -
te geven in den gemeenschappelijken strijd tegen onze overweldigers en voor
de bevrijding van ons verdrukte vaderland.
De Nederlandsche PTT, waaronder de zend-amateurs ressorteeren, kan trotsch
zijn op de prestatie van dat corps en zal ongetwijfeld blijvend de
nagedachtenis eeren van de mannen, die voor onze bevrijding vielen.
Vanzelfsprekend zal mijn opgave zeer onvolledig zijn, omdat ik door mijn
werkzaamheden slechts een gedeelte van het corps heb kunnen overzien,
terwijl velen zich op een ander terrein en bij
andere ondergrondsche organisaties
verdienstelijk hebben gemaakt. Ik hoop t.z.t. in de
gelegenheid te zijn een volledige lijst van hun prestaties te kunnen
samenstellen, doch hoop van ganscher harte, dat het aantal "gevallenen"
niet grooter mag worden.
En wanneer ik dan de rij van mijn medewerkers de revue laat passeren,
dan denk ik met ontroering in de allereerste plaats aan één van mijn trouwste
en ook één van mijn eerste medewerkers, aan mijn vriend DICK Reijns
(G.B. Reijns, 's-Gravenhage).
Hij was één van de eersten, die zich destijds op mijn verzoek beschikbaar
stelde om als radio-commandant op te treden. Een tweetal, mij bekende
amateurs, n.l. Ir. A.A. van Mansum uit Delft [ADRI]
en J.H. Ketting uit 's Gravenhage, koos hij als marconist voor zijn
zendgroep en enkele malen per week kon men het drietal ten huize van DICK
ijverig bezig zien met zich te oefenen in seinen en nemen. Hij was één van
de eersten, die met zijn zender proefuitzendingen kon doen en bij een
gehouden 24 uur proef kwam hij doorlopend goed neembaar zoowel in Groningen
als in Breda door. Hij was een man van weinig woorden, doch een man van
daad. Op DICK kon men onafgebroken staat maken, een beroep op hem werd
nooit tevergeefs gedaan. Toen ik veel later, ook in Den Haag, iemand nodig
had, die mij kon assisteren bij de verbinding met Engeland, was DICK
onmiddellijk daartoe bereid en het is begrijpelijk, dat ik met dezen man
de afspraak maakte, dat zoo ik ooit mocht vallen, hij de verbinding met
Londen voort zou zetten. Over zijn werkzaamheden gedurende de bijna twee
jaar dat ik gevangen zat kan ik natuurlijk niet veel zeggen, die taak
berust bij degenen, die in die periode hebben samengewerkt met hem,
doch vast staat, dat hij na mijn arrestatie rustig met zijn belangrijk
werk is doorgegaan.
Ons Binnenlandsche net heeft, wat Den Haag betreft,
goed werk verricht. In de maanden voor onze bevrijding bestond een
regelmatige verbinding met de Regeering in Eindhoven en het was DICK
met zijn marconisten, die deze belangrijke verbinding verzorgden.
Ongetwijfeld hebben de codeofficieren uitstekend werk verricht, ook zij
stonden dag en nacht voor de goede zaak klaar, mannen als BART (de la Houssaye),
BOB (van Dijl), JAAP (de Groot), JAN de hulpmarconist HANS
en tenslotte FRITS mochten er zijn, doch het gevaarlijke, het kwestbare
werk moest toch DICK met zijn mannen verrichten.
Op zondag 18 Februari 1945 viel de slag.
Tijdens een uitzending met Eindhoven werd de Torenstraat en omgeving
afgezet en drong een groote groep S.D.'ers het perceel van DICK binnen.
DICK en Adri van Mansum, die de uitzending hadden verzorgd vielen in hun
handen. Ook Den Haag was opgerold. Zij werden naar Scheveningen gebracht.
Laat ik zwijgen over de mishandelingen, die zij nog in het huis van
DICK hebben moeten ondergaan. De methoden van deze beestmenschen
zijn ons maar al te goed bekend. Veel resultaat heeft het niet
opgeleverd. Zij hebben gezwegen, niemand van hun medewerkers heeft
'bezoek" van de heeren gehad. Zoo was nu eenmaal DICK.
Op Goede Vrijdag, 30 Maart, zijn beiden vermoord, zoo kort voor de
bevrijding van ons Vaderland en waarvoor zij al die jaren hadden
medegestreden en medegeofferd. Zij hebben het resultaat, ook van hun
arbeid, niet meer mogen aanschouwen, zij hebben helaas het neerslaan
en terugtrekken van die horden niet meer mogen zien, maar wij,
die dat wel hebben mogen doen, wij, die thans in een bevrijd
Nederland leven, wij zullen moeten toonen, dat hun offer niet
tevergeefs is geweest.
En nu komt het ontstellende bericht binnen, dat ook mijn trouwe
vriend GA (van Braak Varseveld) gevallen is.
Op 31 December 1944 is hij in het
concentratiekamp Gross Rosen bij Breslau overleden. Alweer één van
die vele helden uit ons Nederlandsche amateurcorps. En steeds
opnieuw vraag ik mij af, waarom hij, waarom zij en waarom ik niet,
waarom moesten zij allen vallen, waarom werd ik in het leven gespaard
en ik weet er maar één antwoord op, God wilde mij sparen en mij nog
niet tot Zich roepen!
Ik kan het me niet indenken, dat, wanneer weer eenmaal de
zendamateurs in de lucht zullen verschijnen, de prettige stem
van den man uit den Gelderschen Achterhoek (GA) niet meer zal
worden gehoord. Alleen de ingewijden weten, wat Van Braak allemaal
ondergrondsch heeft gedaan voor onze goede zaak. Het zal mede een
dure plicht zijn van de honderden oud-Vukaleden, waarvan Van Braak
de onvermoeide en bezielende secretaris was, zorg te dragen,
dat zijn naam nooit zal worden vergeten en met diepen eerbied
in de herinnering zal blijven voortleven. God moge ook hem de rust
geven, die hij zoo zeer heeft verdiend. Ik persoonlijk zal zijn
trouw, zijn vriendschap, zijn daadwerkelijke hulp en gastvrijheid
nooit vergeten!
Ik vervolg met mijn trieste erelijst.
In October 1943 overleed in Dachau, als gevolg van totale ver
zwakking, de sympatieke Meertens uit Zwolle (PA0MO), die reeds
eind 1941 met Feitsma uit Zwolle, in verband met een
uitzending naar Engeland, was gearresteerd. Feitsma heeft gelukkig
de Duitsche hel overleefd, Meertens is moeten vallen en rust in
één van die vele massagraven, waarvan het gehate Duitschland er
een onnoemelijk aantal heeft. Ik heb verschillende malen vóór
mijn arrestatie met Mevr. Meertens zijn kans besproken en steeds
koesterden we de hoop, dat hij er het levend zou mogen afbrengen,
het heeft helaas niet zoo mogen zijn.
C.L.J. van Lent Jr uit Heemstede (PA0XI), een zeer verdienselijk
amateur, die zich met zijn groep heeft ingezet voor een verbinding
met Engeland, ter dood veroordeeld werd, gratie verkreeg, tot
levenslang werd veroordeeld en tenslotte in het tuchthuis
Lüttringhausen bij Remscheid in 1942 door totale verzwakking
het leven verloor.
|
|
Hier volgt dan een lijst van zendamateurs, die belangrijk werk hebben
verricht op het terrein van het "strijdende amateurisme" en die
wij niet genoeg kunnen danken voor hun prachtigen arbeid.
Ik weet, dat de lijst zeer onvolledig is, doch ik hoop in den
loop der tijden in staat te zijn deze te completeeren.
Op verschillende amateurs kom ik in het verdere verloop van mijn
verhaal nog terug. Ik geef de amateurs in alphabetische volgorde
van hun roepletters.
|
PA0ALO C. Valkhof, Renkum PA0APX G. Werkema, Huizum PA0BC H.J. Beenen, Groningen PA0BF F. Boelens, Hoogezand - zendpost PA0BG R. Bolhuis, Groningen PA0BN J. Lourens, Oosterbeek PA0BU M.J. Burgerhoff, 's Hertogenbosch PA0DD Ir. W.J.L. Dalmijn, Arnhem PA0DR D.S. Rustema, Middelstum - zendpost PA0GE G.H. Pietersen, Doetichem PA0GI Ing. J. van Gent, Nijmegen PA0JHK J. Ketting, Den Haag PA0J. A.H.A. Rawie, Rotterdam PA0KR H. Kranenburg, Heerlen PA0LF F.A. Krant, Heerlen PA0MS G.A. Meerhof, Apeldoorn PA0MR K. Vermaat, Apeldoorn PA0MU G.J. Meijer, Apeldoorn PA0MV H.J. van Merrebacht, Apeldoorn PA0MW D. Neuteboom, Amsterdam PA0MY P.J. ten Haaft, Apeldoorn PA0NWS C.J. van Dam, Noordwijk binnen PA0PN P. Neve, Middelburg PA0OZ J.H. op den Velde, Zaandam PA0QB C.L.F. van den Maagenberg, Breda PA0QQ C.A. Gehrels, Eindhoven PA0SS P.J. Meertens, Terneuzen PA0TA A.G. Teunissen, Venlo PA0TM Ch. J. Tijdgat, Groningen - zendpost PA0VL J. de Vries, Leiden PA0VM Frater Martinus, 's Hertogenbosch PA0WO W.H. Welgraven, Oosterbeek PA0XN A.F. van Aggelen, Haarlem PA0YM A.M.E.Th. Engers, Amsterdam PA0ZB H.A. Touw, Princenhage
|
Reeds deze, hoogst onvolledige lijst, is een sieraad voor
het Nederlandsche zendamateurisme, mogen zij de waardeering,
ook van de Nederlandsche P.T.T. ondervinden, waarop zij
ongetwijfeld recht hebben.
Laat ik nu weer mijn verhaal over de oprichting van het
radio net vervolgen. Het spreekt dat de aanwerving van
geschikte medewerkers een zeer tijdroovend en voorzichtig
werk was en somtijds waren meerdere reizen nodig, om in
een bepaalde plaats een goed contactpunt te krijgen.
Teleurstellingen bleven natuurlijk niet uit; menschen,
waarop ik stellig had gerekend, bleken geen voldoende
moed te bezitten, anderen, die wel moed bezaten, bleken
voor het werk niet de vereischte geschiktheid of
waardigheid te hebben en moesten voorzichtig in een
andere functie worden overgeheveld.
Maar langzaam maar zeker kwam toch de gewenschte
organisatie tot stand.
|
|
In Den Haag DICK Reijns met ADRI van Mansum en
J00P Ketting; in Groningen FRED Tijdgat, als
radiocommandant, met KOOS Rijkeboer, die later ook als
codeofficier zou optreden, HARRY Beenen,
BOL, Rem Bolhuis, JOOP Rustema uit Middelstum
en Boelens uit Hoogezand. FRED zou later één van mijn
meest actieve medewerkers worden en een belangrijke taak
gaan vervullen in de verbinding met Engeland.
|
|
In Arnhem KEES, later DRIES Graafhuis als radiocommandant,
die een uitstekende kern had gevormd met ir. Dalmijn, Lourens Valkhof en
Welgraven als medewerkers. Ik had eenige malen het voorrecht een
oefeningsavond van deze groep te mogen bijwonen ten huize van Graafhuis
en ik heb bewondering gehad voor de serieuze en intensieve wijze van oefenen.
|
In Venlo had Chef-monteur van de PTT W.G. Teunissen de leiding op zich
genomen en was onmiddellijk begonnen eenige marconisten in opleiding te nemen.
Deze groep won nog aanzienlijk aan innerlijke kracht, toen de oogenschijnlijk
zoo kalme, maar in werkelijkheid vastberaden Elektro-technisch ambtenaar van de
PTT Rommelse zijn medewerking ging verleenen.
Met Teunissen werd Rommelse in het Zuiden één van mijn beste vrienden.
Zeer verdienstelijk heeft zich in het Zuiden ook gemaakt de Referendaris van de
PTT te Venlo J. Talens, die als hoofdverbindingsofficier van den
Generaal-Majoor J.R.L. Jans belangrijk werk heeft gedaan.
Met Eta Rommelse werd hij op 26 September 1944 gearresteerd (Teunissen had
tijdig de vlucht kunnen nemen). Zij werden evenwel gelukkig in de nacht van 14
op 15 April 1945 uit de gevangenis te Assen bevrijd.
Ondertusschen hadden de radiogroepen een nieuw dak boven het hoofd gekregen.
Uit practische overwegingen en teneinde een volledige ontplooiing van den
radiodienst mogelijk te maken had KAREL voorzover het de radiodienst betrof
"Vrij Nederland" losgelaten en zich geplaatst onder de O.D..
De O.D. zou zich belasten met de aanstelling van verbindingsofficieren
(VBO), die voor het contact tusschen den radiocommandant ter plaatse en den
plaatselijken, c.q. gewestelijken commandant van den O.D. had zorg te
dragen; voor het opzoeken van geschikte zendposten; voor het fourneeren van het
benoodigde geld voor het aanschaffen en onderhouden van de apparatuur; het
aanwijzen en opleiden van code-officieren (CO) en andere buiten het terrein van
den radiodienst vallende maatregelen. In de praktijk heeft er meermalen aan de
uitvoering van deze maatregelen veel ontbroken, hetgeen achteraf ook wel
verklaarbaar is.
De herhaaldelijk wisselende commando's in verschillende plaatsen maakten het
vormen van contact soms practisch onmogelijk. Het aanwijzen van "geschikte"
zendposten strandde veelal op de begrijpelijke ondeskundigheid van
plaatselijke- of gewestelijke commandanten. In verband met de gevaren aan het werk
verbonden wenschten sommigen van deze funtionarissen volkomen onbekend te
blijven, hetgeen zeer stroef werken tengevolge had.
Tenslotte werd het dan ook zoo, dat onze radiogroep zelf ging zorgdragen voor
het opzoeken van geschikte zendposten en bekwame personen voor code-officier
doorgaf van den Chef Staf.
Door gebruik te maken van het bekende recept "frappez toujours", het steeds
maar opnieuw klagen en reclameeren bij den Staf, kwam eindelijk ook overal het
gewenschte contact tot stand.
Ook het onderlinge contact in de kopgroep radio was inmiddels tot stand
gekomen. In het tramkoffiehuis voor het station in Amersfoort had reeds eenige
malen een korte bespreking plaats gevonden tusschen CRD, CMC,
FRED radiocommandant Noord,
DRIES radiocommandant Zuid,
ANDRIES radiocommandant West
en CHRIS, de speciale koerier van den Chef Staf,
waar de groote lijnen werden besproken en vastgelegd.
Aangezien het, voor ieder toegankelijke koffiehuis zich niet leende voor het
houden van uitvoerige besprekingen, daarvoor ook te kwetsbaar was en bovendien
het aantal deelnemers toenam, werd naar een meer geschikte gelegenheid gezocht
en dank zij de relaties van KAREL ook gevonden. In den vervolge werd
vergarderd bij JOHAN.
Aanvankelijk trad JOHAN alleen als de royale gastheer op.
Zijn uitstekende sigaren en sigaretten zullen niet licht worden vergeten,
doch spoedig werd hij een belangrijke medewerker van de groep.
Iedere veertien dagen, op Zaterdag, zag men daar bijeen:
KAREL, TON, CHRIS, FRED, KEES, ANDRIES,
OOM BEREND, OOM PIET, JOHAN en één of andere gast.
In opdracht van den CRD was door mij een uitvoerige instructie ontworpen
over de wijze van werken van de radioposten. Hierin was vastgelegd, welke
roepletters de verschillende posten zouden krijgen, in welke volgorde- en op
welke wijze een oproep van het leidinggevende station moest worden beantwoord,
hoe de berichtenwisseling moest plaats vinden, hoe het reçu behoorde te worden
gegeven en hoe tenslotte bij proefverkeer moest worden gehandeld. Het geheel
beoogde een uniforme en zoo vlot mogelijke werkwijze.
De Instructie was door den Chef Staf goedgekeurd en daarna aan de diverse
radiocommandanten ter hand gesteld. In een handig boekformaat had KAREL
een door mij ontworpen telegramformulier doen drukken, waarop de berichten
moesten worden opgenomen. Door de handige kolommen-indeling kwam niet alleen
elke vijf-letter-codegroep tot zijn recht, doch kon de marconist op een snelle
wijze constateeren, of het aantal ontvangen groepen overeenstemde met dat van
de inleiding. Deze formulieren hebben later uitstekende diensten
bewezen bij het Engeland-verkeer.
Na maandenlang werken en voorbereiden kon tenslotte aan den Chef Staf
worden medegedeeld, dat onze organisatie in de meeste belangrijke plaatsen van
Nederland voltooid was, namelijk in de navolgende plaatsen: Amsterdam, Haarlem,
Den Haag, Rotterdam, Utrecht, Middelburg, Breda, 's Hertogenbosch, Venlo – met
als nevenstation Maastricht–, Nijmegen, Arnhem, Apeldoorn, Enschede, Zwolle
(Hasselt), Leeuwarden en Groningen.
Verschillende proefuitzendingen vonden plaats, die allen bij mij op een geijkte
H.R.O
werden beluisterd, teneinde de golflengte te kunnen vaststellen en bij te
groote afwijking het station op de aangewezen golf te kunnen brengen. Ook een
24-uur proef werd gehouden. De resultaten van deze proefuitzendingen waren zeer
verschillend. Sommige posten kwamen uitstekend door en werden overal gehoord,
anderen waren minder goed of zelfs onhoorbaar. Het gevolg was, een nieuw bezoek
aan die zendposten, beproeven en nazien van de apparatuur, het opnieuw
instellen van den zender, het verbeteren en verleggen van de antenne, enz.
Veelal nam KAREL dergelijke bezoeken voor zijn rekening.
Rekening houdend met het feit, dat bij een eventuele invasie of ander
gewelddadig optreden de electrische stroom wel eens zou kunnen uitvallen,
werden de zendposten ook uitgerust met omvormertjes en autoaccu's,
opdat onder alle omstandigheden zou kunnen worden gewerkt.
Door den Hoofd-code-officier, (de Resident uit Amsterdam) waren inmiddels de
chef-codeofficieren opgeleid, die op hun beurt weer hadden zorg te dragen voor
het opleiden van de onder hen staande codeofficieren.
Het contact tusschen de kopgroep radio en den Chef Staf werd, zooals reeds werd
opgemerkt, onderhouden door zijn koerier-
vertegenwoordiger CHRIS, die in den aanvang alle besprekingen mede maakte,
doch later uitsluitend met KAREL en mij de verbinding met de Staf vormde.
Ook aan CHRIS bewaar ik de aangenaamste herinneringen. Hij was een prettige
kameraad en buitengewoon actief.
Vanzelfsprekend moesten de medewerkers ook van de noodige "papieren" worden
voorzien. Het geleek op sommige bijeenkomsten bij JOHAN een ware centrale
van vervalschingen. Nagemaakte stempels van alle mogelijke Duitsche
instanties en Nerderlandsche staatsbedrijven lagen op tafel.
Fotografische vergrootingen van bepaalde formulieren moesten worden gemaakt,
waarvan later weer cliché's werden gemaakt, drukproeven, enz. enz.
Handtekeningen werden door experts nagemaakt, het juiste papier van de juiste
dikte en nauwkeurig van kleur moest worden opgespoord en worden uitgezocht.
In dat alles was KAREL een specialist en voor elk onderdeel wist hij de
daarvoor geschikte medewerkers te vinden.
Naast persoonsbewijzen, werden legitimatiebewijzen van de P.T.T., vergunningen
om in verboden provincies te mogen komen, PTT-personenvervoerbewijzen 2e klasse
van de Spoorwegen, Ausweisen, fietsvergunningen, vergunningen om tijdens
spertijd op straat te mogen zijn, enz. enz. gefabriceerd. De resultaten waren
dikwijls zoo frappant, dat de papieren niet van "echt" waren te onderscheiden.
Engelandverkeer
Zoover waren wij met den opbouw van het binnenlandsche net gevorderd, toen van
FRED (Tijdgat) een telefonische mededeeling inkwam, om voor een hoogst belangrijke
aangelegenheid onmiddellijk naar Groningen te willen komen. Het bleek, dat een
spionagegroep in Delfzijl, welke, zooals later bleek onder leiding stond van
ZWAANTJE (dr Oosterhuis) en die een intensief verkeer met Engeland via Zweden
onderhield, van Engeland een zend- ontvangapparaat had ontvangen.
Deze apparatuur was o.m. uitgerust met vier kristallen (een dag-kristal met
uitwijkfrequentie en een nachtkristal, eveneens met uitwijkfrequentie; de
daggolf was ongeveer 47- en de nachtgolf op plus minus 85 meter).
Tot dusverre had deze spionagegroep, die later bleek een onderdeel te zijn van
het groote spionage-net in Nederland en Begië, onder leiding van RIENUS
(van der Meerschen uit Gent), uitsluitend gebruik gemaakt van eenige kustvaarders,
die vanuit Delfzijl op Zweden voeren.
Een vertrouwensman in Zweden droeg zorg, dat de aangekomen
documenten per vliegtuig naar Engelandwerden doorgezonden.
De groep van ZWAANTJE beschikte blijkbaar niet over een medewerker,
die in staat was de zend-ontvanginstallatie te bedienen en had daarom een
leraar van de Zeevaartschool in zijn groep opgenomen. Deze man met de
schuilnaam PRINS (Koning) slaagde er evenwel niet in verbinding met Engeland tot
stand te brengen, ondanks, dat hij bijna een week lang, zoowel overdag, als des
nachts, vanuit zijn woning in Delfzijl daartoe pogingen in het werk had gesteld.
Teneinderaad had hij onzen zend-amateur Dirk Rustema uit Middelstum, onzen JOOP,
om advies gevraagd, die in zijn kwaliteit van VBO (verbindingsofficier) van den
O.D. FRED van één en ander kennis gaf, die de zaak zóó belangrijk achtte,
dat hij mij direct inschakelde.
FRED en ik hebben daarop een bezoek gebracht aan
PRINS. Op deze bespreking hebben wij PRINS gewezen op het groote belang
van een dergelijke radio-verbinding, ook voor onze organisatie,
den O.D. en hem de volledige medewerking van de kopgroep radio toegezegd.
Daar PRINS van meening was, dat het vermogen van het zendertje te gering
was, heb ik hem beloofd de kwestie met KAREL te zullen bespreken, teneinde
met spoed een nieuw zendertje van eenig grooter vermogen te doen bouwen en ons
bereid verklaard mede te helpen de verbinding tot stand te brengen. Reeds bij
deze gelegenheid heb ik PRINS nadrukkelijk gewezen op het groote gevaar,
dat hij liep, om steeds vanuit één bepaald perceel in Delfzijl uit te zenden.
Al achtte ik de capaciteiten van de Gestapo op het gebied van peilen niet groot,
op den duur moest bij een dergelijke werkwijze ontdekking volgen.
Helaas hebben de feiten mij later in het gelijk gesteld.
Het bij den zender, "de Soto" genaamd, behorende werkplan,
alsmede de code was eveneens in het bezit van PRINS.
Teneinde te onderzoeken, of èn de zeeweg met Engeland via Zweden,
èn de toekomstige radio-verbinding met Engeland, plus ontvangen apparatuur
absoluut "safe" was en geen Duitsche provocatie, had ik PRINS
voorgesteld een briefje naar Engeland via Zweden te verzenden waarin
bevestiging aan de Nederlandsche autoriteiten in Londen werd gevraagd.
Bij bevestiging moest door Radio-Oranje
de slagzin worden uitgesproken "Geen knollen voor citroenen".
Met dit voorstel ging PRINS accoord en de brief werd gereed gemaakt en
verzonden.
Het spreekt, dat vanaf dit oogenblik Radio-Oranje, zoowel door Groningen,
als door mij met groote belangstelling werd beluisterd en het is begrijpelijk
dat ik eenigszins ontroerd was, toen na 10 dagen Radio-Oranje zei:
"Hier is een belangrijk bericht - Geen knollen voor citroenen".
Deze mededeeling werd gedurende drie achtereenvolgende dagen herhaald. Door dit
bericht stond de betrouwbaarheid van zender met bijbehorende code, alsmede de
zeeweg van Delfzijl naar Zweden vast, terwijl ongeveer 10 dagen noodig
waren, om stukken vanuit Delfzijl naar Engeland te krijgen.
Van dezen zeeweg heeft de Chef-Staf, die aanvankelijk alleen beschikte over
den langen weg via Zwitserland, een dankbaar en veelvuldig gebruik gemaakt.
Vele negatieven werden per boot verzonden, waaronder de code 101
van den O.D.
Van deze code heeft de Chef-Staf voor het verzenden van belangrijke
berichten de laatste maanden voor mijn arrestatie gebruik gemaakt.
Ook personen, waar de Regeering in Londen op prijs stelde, of die uit persoonlijke
veiligheidsoverwegingen uit Nederland moetsen verdwijnen,
werden door deze kustvaarders vanuit Delfzijl naar Zweden gesmokkeld.
Ondanks de aanwezigheid van Duitsche marine-bewaking, die niet alleen vóór het
vertrek elk schip grondig onderzochten, doch tot aan de Zweedsche territoriale
wateren op het schip aanwezig bleven, slaagden deze mannen er in, maandenlang
hun gevaarlijk, doch zoo belangrijk werk te volbrengen. Deze mannen hebben voor
ons Vaderland uitstekend werk verricht.
Ik heb in de gevangenis te Lüttringhausen met twee kapiteins van deze
kustvaart kennisgemaakt: Wester en Roossien, beiden uit Delfzijl. Ook zij
waren ter dood veroordeeld,
doch eveneens om ongebrijpelijke redenen gespaard. 1
Het waren jonge, doch dappere kerels, waarvoor ik groot respect heb gekregen.
Ik hoop, nu wij allen uit de Duitsche hel zijn bevrijd, hen nog dikwijls te
ontmoeten; het zijn mannen om trots op te zijn.
|
 |
-
Na "Dolle Dinsdag" zijn hun papieren zoek geraakt.
|
Naturlijk had ik na mijn terugkeer uit Groningen de zaak direct met KAREL
besproken, die mijn reeds na eenige dagen een met 6L6 uitgerust apparaat ter
beschikking kon stellen. De bouw van dit apparaat was zoodanig, dat het eigenlijke
zendertje in de zijzak van een colbertjas kon worden gestoken, het natuurlijk
ongevaarlijke plaatspanningsapparaat woog wat zwaarder en was vanzelf ook grooter.
Door de aanwezigheid van eenige stekerpennen met contra-gaten kon de zender
op hoogst eenvoudige wijze aan het p.s.a. worden verbonden. Losse snoeren,
altijd lastige dingen, kwamen daardoor te vervallen.
Vanzelfsprekend had ik ook den Chef Staf via CHRIS
van deze verbindingsmogelijkheid op Engeland volledig op de hoogte gebracht.
Ook de Chef Staf bleek de belangrijkheid van een verbinding met Londen
in te zien en daarop prijs te stellen.
Met de nieuwe apparatuur werd naar het Noorden getrokkenen en reeds de eerste
uitzending naar Engeland slaagde volkomen.
Er werd hierbij van een uitstekende kortegolf-ontvanger gebruik gemaakt.
Wij kwamen in "Engeland" keihard door. Later is gebleken, dat het aanvankelijk
falen van de verbinding niet zoozeer te wijten was aan het geringe vermogen van
de "Soto" zender, dan wel aan de mindere vaardigheid om den ontvanger te
bedienen.
Het geheele geval, zender-ontvanger plus p.s.a. was niet grooter dan een
sigarenkistje en kon gemakkelijk in een actetasch worden meegenomen.
Door den uiterst gecompliceerden bouw bezat de ontvanger een vrij kleine
afstemschaal, terwijl het bereik vrij groot was, namelijk van ongeveer 25- tot
bijna 100 Meter. De afstemming was daarom zeer moeilijk en critisch en
vereischte groote vaardigheid. Wij hebben, door het aanbrengen van eenige
bandspreiding en het gebruik maken van een lange staaf voor het afstemmen,
waardoor dit veel "fijner" werd, van dergelijke ontvangers veel genoegen gehad,
vooral, toen de meeste ontvangtoestellen, als gevolg van het inleveringsbevel,
moesten worden opgeborgen. (13 mei 1943)
Ook de Chef van den Staf had onmiddellijk van deze radioverbinding gebruik
gemaakt en eenige telegrammen aan de Nederlandsche Regeering in Londen verzonden.
In één van de antwoordtelegrammen werd aan ZWAANTJE medegedeeld, dat ook de
O.D. van deze verbinding gebruik moest maken. Doch hierbij deed zich het
moeilijke en dwaze geval voor, dat alleen PRINS in het bezit van de code
was. Wij bezaten wel afschriften van de werkwijze en werktijden van de "Soto",
doch de code wenschte PRINS niet af te staan.
Elk bericht, dat de Chef Staf wenschte te verzenden moest eerst naar
Delfzijl worden gebracht, om door PRINS te worden gecodeerd en evenzoo moest
elk ontvangen telegram den zelfden weg afleggen om te worden gedecodeerd. Elke
poging, om voor den O.D. te kunnen beschikken over de "Soto-code" strandde
op de persoonlijke eerzucht van PRINS.
Het moeilijke in deze geschiedenis was, dat elk te verzenden en elk ontvangen
telegram eenige dagen vertraging had, omdat het eerst PRINS moest passeeren;
vooral voor spoedberichten beteekende dit groote- en overbodige stagnatie; het
dwaze was, dat PRINS, die geheel buiten den O.D. stond, op deze wijze
kennis nam van den inhoud van berichten, gewisseld tusschen den Chef Staf
en de Nederlandsche Regeering in Londen. Bovendien was de O.D. op deze wijze
volkomen afhankelijk van PRINS en kon nooit controleren, of de opgegeven
tekst geheel en zonder weglatingen werd omgezet. Dat dergelijke dingen plaats
vonden bleek ons helaas later.
JOOP (Rustema) onderhield in zijn kwaliteit van VBO
het contact met PRINS en bracht aan den laatsten alle te coderen- en te
decoderen telegrammen. De hoeveelheid werd soms PRINS te machtig en daarom
verzocht hij af en toe JOOP hem te willen assisteren. Het gevolg hiervan
was, dat we al spoedig in het bezit waren van het
versje,
dat bij de omzetting moest worden gebezigd:
"Toen onze mop een mopje was enz enz".
Er ontbrak nu alleen nog het geheime getal en ik verzocht JOOP hier zoo
mogelijk achter te komen. Na dagen zijn kans te hebben afgewacht, gelukte het
tenslotte JOOP dit getal te bemachtigen. De O.D. was onafhankelijk van "PRINS".
Omstreeks dien tijd hadden we PRINS een bericht laten codeeren waarin aan
Engeland om toezending van een bepaald type ontvanger werd gevraagd, terwijl
tevens eenige technische gegevens werden gevraagd en gegeven.
Niet alleen bleek bij decodeering onzerzijds, dat de strekking van het
telegram was gewijzigd, doch ook, dat PRINS in de allereerste plaats om
toezending van zoo'n ontvanger voor hemzelf had verzocht.
Controle op PRINS had dus wel terdege zin gehad.
Spoedig ontdekte PRINS, dat de berichten door ons zelfstandig werden
behandeld en het gevolg was een onderhoud ten huize van FRED, waarbij ook
KOOS (Rijkeboer), onze codeofficier aanwezig was.
Teneinde JOOP te dekken en de verstandhouding niet te zeer te vertroebelen,
werd de zaak zóó gesteld, dat het aan KOOS gelukt was de code te oncijferen.
Of PRINS dit geloofde weten wij niet. De bespreking was vrij heftig, vooral
de wijze, waarop hij ons bericht ten eigen bate had veranderd, werd hem zwaar
aangerekend. Bovendien werd hij er nogmaals op gewezen, dat het voor den
Chef Staf ontoelaatbaar was, dat onbevoegden inzage kregen van de door deze
autoriteit aan de Nederlandsche autoriteiten in Londen te verzenden en
ontvangen berichten, hetgeen PRINS niet wenschte in te zien.
Ook bij deze gelegenheid heb ik PRINS wederom met grooten nadruk gewezen op
het gevaar dat hij en de radio-verbinding liep, doordat hij voor zijn
uitzendingen uitsluitend was aangewezen op zijn woonplaats Delfzijl en stelde
hem voor de radio-verbinding te laten verzorgen door de hoofdgroep radio van
den O.D. en op dit terrein met den O.D. te willen samenwerken.
Hierbij werd o.m. gewezen op de meer dan 20 zendposten, die ter
beschikking van den O.D. stonden en die over geheel Nederland waren
verspreid. Hierdoor was het mogelijk dat op één bepaald adres slechts eens in
de 5 of 6 weken werd uitgezonden, waardoor de kans op ontdekking tot een minimum
werd gereduceerd.
Het mocht niet baten PRINS bleef star vasthouden aan ZIJN verbinding en
wenschte de eer met niemand te deelen.
Vanaf dit oogenblik zijn we met de verbinding onzen eigen weg gegaan,
al bleven we bereid, als PRINS geen verbinding kon krijgen, zijn berichten
door te zenden. Nu we onze berichten zelfstandig konden behandelen, hebben we
onmiddellijk aan Engeland voorgesteld afzonderlijke werktijden voor den
O.D. en voor ZWAANTJE te willen vaststellen en op de tijden
voor den O.D. bestemd geen berichten te willen brengen, bestemd voor
ZWAANTJE en omgekeerd. Dit voorstel werd door Engeland met instemming
ontvangen en in overleg met ons werden de tijden vastgesteld. Veel later werd
door ons nog aan Engeland aanbevolen om 7 uur 's morgens eventueel voor den
O.D. voorhanden telegrammen zoogenaamd blind te willen brengen,
dus zonder, dat onmiddellijk reçu werd gegeven. Hierdoor werd bereikt een
bespoediging van in Engeland aanwezige berichten en ontlasting van onzen
eigen werktijd. Deze wijze van werken heeft uitstekend voldaan.
In de praktijk bleek de nachtgolf (ongeveer 85 M) de beste resultaten te geven.
Zoo gauw wij weer in de lucht kwamen en dat duurde soms wel eens 2 à 3 dagen,
werd natuurlijk allereerst kwijting gegeven van de ontvangen telegrammen.
Nu we met de Engeland-verbinding volkomen op eigen beenen stonden, kon de
zaak grondig worden aangepakt. Een groot aantal zendposten werd gezocht en
ingericht. In het Noorden van ons land was, vooral door de activiteit van FRED
de zaak spoedig voor elkaar. Wij beschikten daar over zendposten bij JOOP
(Rustema) in Middelstum; bij onzen amateur Boelens in Hoogezand;
bij Harry Beenen in Groningen;
bij onzen radio-commandant Tijdgat in Groningen;
op de boerderij van Veldstra (wat een prachtkerel was dat) die in de nabijheid van
Joure woonde en op het laatst ook in Aduard.
In Den Haag werd meerdere malen uitgezonden vanuit mijn eigen woning, vanuit
den Radio-Contrôledienst op den Scheveningscheweg, bij den Radio-commandant
Reijns vanuit zijn woning en vanuit het gebouw van de Christelijke
Jongemannen Vereniging (CJMV) aan de Prinsegracht, waar de concierge Boon
ons uitstekende diensten heeft verleend. Ondanks, dat hij tweemaal een
huiszoeking heeft gehad, bleef hij zijn gebouw en zijn ontvanger voor ons ter
beschikking stellen. Een ideale plaats om de apparatuur te verbergen was bij
Boon een zaal, waar wel een 20-tal orgels stonden opgeslagen. In één daarvan
verdween onze zender met bijbehooren en was practisch onvindbaar.
In Naaldwijk werd uitgezonden bij Baremans. In Stompwijk op een boerderij.
In andere deelen van het land had KAREL voor de noodige posten gezorgd; op
een boerderij in Assendelft, vanuit de woning van Aussems in Koog-Zaandijk,
vanuit een woning in Koog-ad-Zaan, vanuit een garage in Den Ham bij
Amersfoort, vanuit enkele woningen in Baarn en omgeving,
vanuit een watertoren in de buurt van Doetichem (Pietersen),
vanuit de Vondelstraat in Amsterdam,
vanuit de woning van Teunissen in Venlo en vanuit nog eenige plaatsen.
Was ter plaatse een omroepontvanger aanwezig, dan werd deze geschikt gemaakt
voor het ontvangen van telegrafiesignalen, hetgeen werkelijk ideaal was en
een goede ontvangst mogelijk maakte, er werden antennes aangelegd of
verbeterd, enz. Later kwamen er natuurlijk moeilijkheden, toen alle
radiotoestellen moesten worden ingeleverd. Geen enkele medewerker heeft
daaraan voldaan. Doch het toestel was op een dergelijke plaats opgeborgen,
dat het niet mogelijk was, wanneer TON daar plotseling verscheen om een
uitzending te plegen, het apparaat uit de ondergrondsche gewelven voor die 1
of 2 uur naar boven te halen. Het gevolg hiervan was, dat wij nu altijd de
zend-ontvanger van Engeland
door het land moesten meesjouwen, met de gevaren daaraan verbonden.
Aangezien evenwel een vrouw in dat opzicht
minder kwetsbaar bleek dan een man, hebben wij meerdere malen in die kritieke
maanden van de bereidwilligheid van eenige echtegenooten gebruik moeten maken.
Zoo had de echtgenoote van FRED eenige malen den zender onder haar
berusting, toen we vanuit Groningen per tram naar Heerenveen en vandaar per
fiets naar onzen vriend Veldstra in Joure moesten, terwijl ook mijn vrouw
verschillende malen assistentie verleende, toen ik per bus naar Naaldwijk
moest en in de omgeving van Varsseveld een uitzending had te verzorgen.
In die dagen was het antenne-vraagstuk een groot probleem, overal moesten immers
de antennes worden afgebroken en zonder antenne kan je nu eenmaal niet met
Engeland werken. Het ging niet overal zoo eenvoudig als bij Rustema in
Middelstum, die bij onzen komst eenvoudig een bamboestok met een willekeurig
eind draad er aan in zijn tuin pootte waarop het prima ging. Het centrum en
het Westland vroegen daarentegen om een heel goede antenne. Bij boerderijen
was dat niet zoo moeilijk; de bliksemafleider werd eenvoudig onderbroken en
we hadden een goede antenne en aarde ter onzer beschikking.
In Joure, waar de boerderij een dergelijke installatie niet bezat, werd
keurig en onzichtbaar een draad langs de gevel van het huis gelegd; in een
hoog gebouw, zooals dat van de CJMV in Den Haag voldeed ook heel goed een
antenne van een halve golflengte, gespannen tusschen de balken op den zolder.
Minder gemakkelijk ging het bij woonhuizen in het centrum en midden van het
land. Het was dikwijls tobben, doch we hebben er ons kunnen doorslaan.
Inmiddels had Engeland via Zweden een tweede apparaat gezonden, wederom
compleet met bijbehorend werkplan, kristallen en een bijzondere
werkcode. De naam van dit apparaat was de WOLSELEY. Met dit apparaat is
het een duistere geschiedenis geweest. Bij herhaling vroeg Engeland aan ons
"hebben jullie de WOLSELEY nu, werk er dan ook mee", maar de O.D. had
geen WOLSELEY; PRINS stond het apparaat niet af. De Chef van den Staf
(Six) vroeg ons herhaaldelijk om inlichtingen en moest Engeland dan maar weer
antwoorden, dat de apparatuur door PRINS niet was doorgezonden.
Tenslotte heeft Engeland er zich maar bij neergelegd en er bij PRINS op
aangedrongen dan zelf met de WOLSELEY in de lucht te willen komen.
Eenigen tijd later deelde Engeland aan den Chef O.D. en aan ZWAANTJE
mede, dat er twee volledige apparaten onderweg waren: ETON III en
ETON IV en dat deze uitsluitend voor den O.D. bestemd waren.
Deze apparaten hebben wij uit Delfzijl ontvangen.
Waar elk toestel o.m. beschikte over vier kristallen, konden we nu bij
onze uitzendingen steeds van een andere frequentie gebruik maken. Nauwkeurig
werd aangeteekend, welke frequentie bij een uitzending gebezigd was en er werd
dan door mij voor zorggedragen, dat bij een volgende uitzending op die plaats
van een ander kristal werd gebruikt gemaakt. Waren zeer veel telegrammen
voorhanden, dan werd de uitzending ook wel halverwege onderbroken, om op een
andere frequentie te worden vervolgd. In een tweetal codegroepen kon namelijk
worden aangegeven, op welken dag, welk uur en welke frequentie zou worden
uitgezonden. Op heel eenvoudige wijze kon dus van golflengte worden gewisseld.
In praktijk bleek de 46 M golf zeer afhankelijk te zijn van condities, behalve
in Groningen en Friesland. (vermoedelijk een kwestie van de bodemgesteldheid).
Vooral in het Westen, in den Achterhoek en ook in Amersfoort was de verbinding
bij tijden zeer slecht en werd Engeland, zelfs op een HRO soms
nauwelijks gehoord en kwamen ook wij in Engeland zeer slecht door. Alleen op
bepaalde tijden en bij een bepaalde frequentie ging het werken vanuit die
plaatsen uitstekend. Eenige tijd voor mijn arrestatie was ik dan ook begonnen
met het aanleggen van een statistiek, waarin werd aangeteekend, op welk uur en
op welke frequentie op een bepaalde plaats was uitgezonden; hoeveel telegrammen
er konden worden overgebracht en met welk resultaat (goed-matig-slecht). Op deze
wijze hoopte ik in staat te zijn een zoodanige regeling te maken, dat overal
het werken behoorlijk mogelijk was. In de provincie Groningen, maar vooral in
Friesland ging het practisch altijd.
Wanneer de berichten zich ophoopten en te oud dreigden te worden, werd maar
weer naar het Noorden getrokken, om dan op een snelle wijze de telegrammen te
spuien. Ik heb op die wijze in Joure in één uitzending wel eens een kleine 20
telegrammen weggewerkt. Het ging enorm: FRED aan den ontvanger, ik aan de
sleutel. In een behoorlijk tempo werd het bericht overgebracht en nauwelijks
had ik de sleutel losgelaten, of op het zelfde oogenblik volgde reçu.
Het was fijn werken met Engeland, het waren uitstekende "nemers" daar.
Het waren niet altijd alleen telegrammen van den Chef Staf, of van mij,
die moesten worden overgebracht. Wij kregen ook berichten te
verwerken van bepaalde personen, die door Engeland waren uitgeworpen en in
ons land een bepaalde opdracht hadden te vervullen. Telegrammen van
"Henderson", "Piet Maartens", "Frans" en enkele anderen kwamen meermalen
voor. Ik heb eens zwaar gemoppeerd op "Frans", die een bericht van liefst 180
code-groepen door mij liet overseinen. Later werden zijn telegrammen dan ook in
kleiner formaat aangeboden.
De zendposten in de provincie Groningen en Friesland hebben in het
Engeland-verkeer een belangrijke rol gespeeld en dankbaar herdenk ik al mijn
vrienden, die mij zoo trouw hebben bijgestaan. Ik herinner mij nog de eerste
uitzending bij Boelens in Hoogezand. Ná het eerste bericht, dat door ons was
overgebracht, bracht Engeland een telegram. KOOS trok zich in een
kamer terug, om het bericht te decodeeren. Groote spanning bij ons alleen, wat
zou de inhoud wel zou zijn. Eenige teleurstelling, toen de inhoud ongeveer
luidde: "u komt hier keihard door, u is veel te sterk, verminder uw energie".
En dan te bedenken, dat er met een éénlamps zender werd gewerkt en er van
ernergie-vermindering geen sprake kon zijn.
Het ging ook wel eens minder vlot.
Zoo herinner ik mij ook een uitzending bij Rustema in Middelstum. Het ging,
zooals steeds bij JOOP prachtig, doch midden in het laatste vrij groote
bericht, stegen plotseling groote rookwolken uit het plaatspanningsapparaat
op. De transformator stond op het punt van verbranden. Het gelukte ons
evenwel, door steeds nà enkele geseinde groepen, de zender even uit te
schakelen, de uitzending tot een goed einde te brengen, al konden wij het
plaatspanningsapparaat wel voor goed afschrijven. De operator aan de
overzijde zal wel niet begrepen hebben, wat er bij ons aan de hand was.
Ten einde het afleveren van telegrammen aan den Chef Staf en van dezen aan
mij te bespoedigen, werd door mij een speciale koerier toegevoegd, namelijk
KEES (v.d. Lichte). Dit bleek een zeer gelukkige greep te zijn geweest.
De wijze waarop KEES zijn taak vanaf het eerste, tot het laatste oogenblik
heeft opgevat, verdient meer dan lof. Elk uur van den dag stond hij voor mij
gereed, één telefoontje aan den Dominé in Haarlem: "Kan Kees komen", was
voldoende; met den volgenden trein was hij present.
Kees, wat hebben wij gesjouwd, toen de grond in Den Haag me te warm werd
en ik hals over kop met al mijn bezittingen naar Amsterdam moest verhuizen.
De bijna niet in te pakken HRO,
met zijn afzonderlijk vrij zwaar plaatspanningsapparaat, mijn schrijfmachine,
de complete zender met toebehooren, al mijn bescheiden, plus het eten, dat ik
persé van mijn vrouw moest meenemen die blijkbaar dacht, dat ik in Mokum zou
verhongeren. Ondanks onze "kwetsbare" en vrij opzichtige bagage zijn we
veilig in mijn tijdelijk hoofdkwartier in de Vondelstraat aangekomen en
konden we, ongezien door de buren, al die spullen 74 treden hoog naar mijn
kamer sjouwen. Deze reis heeft ons heel wat zweetdruppels gekost, maar den
volgenden dag om 7 uur 's morgens kon ik in mijn nieuwe woning reeds de
berichten van Engeland nemen.
Maandenlang heb ik op de meest
prettige wijze en in de beste verstandhouding met KEES samengewerkt. Hij
was een pracht koerier met een juiste opvatting van zijn taak.
Zeer veel tijd nam het codeeren en decodeeren van de berichten in beslag.
Het heeft mij dikwijls mijn nachtrust gekost. Ik gaf zooveel mogelijk van te
voren via KEES aan den Chef Staf bericht, wanneer ik voor eenige dagen
naar het Noorden of Zuiden trok. Meermalen kwam den KEES den avond voor
mijn vertrek nog met verschillende berichten, die ik natuurlijk nog moest
codeeren. Daar het omzetten een uiterst nauwkeurig werk was en ik mij de
gewoonte had aangewend, zoo mogelijk elk gecodeerd bericht, voor contrôle ook
nog te decodeeren, kostte dat uren. Ik heb verscheidene malen tot 3 uur 's
nachts daaraan moeten werken, waarbij mijn zoon mij trouw behulpzaam was met
het oplezen van de reeksen letters, tot het ook hem op een bepaald oogenblik
ging duizelen. En dan weer om 6 uur de deur uit, om den eersten trein naar
Groningen te kunnen halen; het was kort nacht, doch het werk gaf voldoening.
Eenige maanden vóór mijn arrestatie is, op advies van den HCO
(hoofd-codeofficier), den resident in Amsterdam, die van oordeel was, dat
de gebezigde code te kwetsbaar was, door den Chef Staf gebruik gemaakt
van de, ook in Engeland aanwezige code 101. Ten einde de berichten nog te
kunnen verkorten en ontcijfering door den vijand nog te bemoeilijken, werden
de berichten, voor zoover mogelijk, eerst omgezet in de bekende XAA-code.
Of dit codeeren een succes is geweest geloof ik niet, het heeft Engeland
herhaaldelijk voor moeilijkheden geplaatst, navragen waren aan de orde van
den dag en ik kreeg dan ook den indruk, dat het heel stroef ging.
Het vlot heen en weer "praten" van de voorafgaande maanden was voorbij.
Deze indruk werd later bevestigd door het Hoofd van de Nederlandsche
Inlichtingendienst in Londen, Luitenant Kolonel Dr. Somer, die over dit
code-systeem niet erg te spreken was.
Ik was door den Chef Staf gemachtigd om bijzondere voorvallen in Nederland
zelfstandig aan Engeland te melden en eerst daarna den Chef van den Staf
kennis te geven. Op deze wijze waren de berichten voor Engeland actueel en
niet eenige dagen oud. Zoo werd de geslaagde aanslag op Posthuma, 1 de
arrestatie van de artsen, het inleveren van de radio-toestellen en vele
andere aangename- en minder aangename voorvallen à la minute doorgegeven.
Het bleef altijd een sensatie, wanneer Radio-Oranje
daar onmiddellijk op reageerde. Voor dergelijke berichten, alsmede voor
aangelegenheden, den radiodienst betreffende, bleef ik gebruik maken van de
SOTO-code, een nieuw rijmpje was wel voor mij in de 101-code aangekomen,
doch heb ik nimmer van den resident ontvangen.
|
 |
-
Folkert Evert Posthuma was voorzitter van de Commissie voor de
Productieslag die de productie van de landbouw op moest voeren. Hij werd door
Hans Katan van CS-6 omgebracht.
|
Er werden op de vele reizen ook wel eens pijnlijke- en moeilijke oogenblikken
beleefd. Ik herinner mij een uitzending op Zaterdag in Assendelft. Aussems,
de radiocdt van West had zijn omroepontvanger van te voren naar de boerderij
gebracht, omdat men daar over geen geschikte ontvanger beschikte, zoodat we
op de heenreis alleen de zender, de kristallen en de telegrammen hadden mee
te dragen. De afspraak met Engeland was, om om 3 uur te beginnen. Het begon
buitengewoon vlot, de eerste telegrammen werden snel overgebracht; daarna in
een groot bericht, waarvan ik veiligheidshalve om de 25 groepen reçu vroeg,
werd het donderen, de condities werden slechter en slechter.
Ik moest behalve dat telegram er beslist nog eenige loozen, de rest zou ik dan
den volgenden dag in Koog-Zaandijk verwerken. Ik kon tenslotte met de noodige
herhalingen nog juist de beide code-groepen wegkrijgen, waarin ik aan
Engeland verzocht, om 6 uur te willen terugkomen. Inderdaad ging het op dat
tijdstip weer goed, doch toen ik tot slot nog een telegram van ongeveer 80
groepen wilde wegwerken, was het wederom mis, navraag op navraag volgde en
dit telegram moest weg.
De ramp was, dat men dien avond in den Zaanstreek voor straf om 8 uur moest
binnen zijn, terwijl het naar Koog-Zaandijk ongeveer 40 minuten fietsen was,
het werd 7 uur, het werd half acht, steeds navragen, eindelijk om 10 over
half acht had ik reçu binnen. Alle apparaten moesten mee, we moesten ze
nu eenmaal den volgenden morgen gebruiken.
De groote omroepontvanger in een doos achterop de fiets van Aussems, in mijn
koffer de zender met bijbehoorende spullen en het gereedschap. Om 7.45 werd
gestart.
"Als we maar voor 8 uur de brug zijn gepasseerd", zei ANDRIES, "want
daar staan de Duitschers op wacht". In een razend tempo vlogen we over den
weg. Het gelukte ons, even voor 8 uur de brug te passeeren, ons hart
klopte, zouden de moffen ons aanhouden? Gelukkig, het gebeurde niet, er werd
zelfs geen aandacht geschonken aan onze bagage. Toen verder de Rijksstraatweg
af. ANDRIES met de, tenslotte ongevaarlijke, omroepontvanger voorop en ik
50 meter achter hem. Mocht hij overhoopt worden aangehouden, dan kon ik nog
altijd probeeren met fiets en spullen in een drooge sloot naast den weg te
verdwijnen. Alles verliep evenwel naar wensch en het sloeg half negen, toen
we heel voorzichtig aan de achterzijde van het huis van ANDRIES binnen
gingen. Het geluk was met ons geweest.
Een ander geval: bij mijn vrienden in Den Ham bij Amersfoort zou
ik een uitzending verzorgen. Ik was deze maal alleen. Ik had een tweetal
spoed telegrammen, die beslist weg moesten. Het ging hopeloos slecht. Zoolang
ik bezig was, stonden een zoon en een knecht op den uitkijk, om bij gevaar
zoo mogelijk nog te kunnen waarschuwen. Na anderhalf uur onafgebroken tobben,
kon ik eindelijk de boel afbreken. Toen op de fiets terug naar Amersfoort,
doch een eind vóór Amersfoort werd ik aangehouden door 2 politiemannen in
burger, die mijn bagage wenschten te onderzoeken. Je denkt natuurlijk
onmiddellijk, ze hebben een grove peiling gedaan en zetten nu de wegen af.
Uiterlijk heel kalm haalde ik mijn legitimatiepapieren van de PTT te
voorschijn en zei: "Ik heb mijn meetapparaten van de PTT in mijn koffer,
heb in Den Ham bij de radiocentrale metingen moeten verrichten" en deed
gelijkertijd mijn koffer open. "In orde mijnheer, gaat Uw gang". Ze hadden
mijn hart kunnen hooren bonzen. Misschien was het een slechts contrôle op het
vervoeren van levensmiddelen, doch in zoo'n geval spreekt je slechte geweten.
Volgens KAREL ben ik eens in de Gelersche Achterhoek door het oog van de
naald gekropen. Ik zou in de omgeving van Terborg in het gebouw van de
drinkwaterleiding een uitzending verzorgen. Apparatuur was aanwezig.
Het geval bleek een groote ECO-zender te zijn, dus met een kristal kon
ik niets beginnen. Veel tijd van voorbereiding was er niet, omdat er bovendien
nog een antenne moest worden gespannen.
KAREL was bij deze uitzending aanwezig. We hebben nog getracht, met
behulp van het ontvangtoestel den zender op 46 M te krijgen, doch Engeland
antwoordde niet, òf we zaten niet op 46 M,
òf Engeland vertrouwde de zaak niet, omdat het geval niet kristal gestuurd
was. Ik zou den volgenden Zondag met mijn eigen apparatuur terugkomen.
Vermoedelijk heeft Pietersen in den loop van de week nog proeven met dien
zender gedaan, ik weet het niet, doch volgens KAREL was de aandacht van de
Duitschers op de omgeving gevestigd. Mijn vrouw ging mee naar Varsseveld en
nam gedurende de reis mijn zender onder haar hoede. De uitzending verliep
buitengewoon vlot en dit was onze redding. We vertrokken per fiets via een
zij-uitgang en KAREL vertelde mij dat, waren wij de hoofduitgang uitgegaan,
dan waren we in handen van de moffen gevallen, want op nog geen 10 meter
afstand stond een Duitsche peilwagen. Er werd later op den dag nog een
huiszoeking in de gebouwen gedaan, natuurlijk zonder resultaat. Pietersen is
nog eenige weken "ondergedoken" geweest, doch verdere moeilijkheden zijn niet
ontstaan. Alleen heb ik vanzelfsprekend deze zendpost van mijn lijstje
geschrapt.
Misverstanden met de Chef Staf bleven natuurlijk ook niet uit. We hadden
van den beginne af, alle verzonden telegrammen van een volgnummer voorzien,
omdat de Chef wenschte dat een logboek, waarop nummer en korte inhoud, zou
worden bijgehouden. In verband met de houding van PRINS was het in den
aanvang een chaos geweest, wij brachten in de eerste weken herhaaldelijk
telegrammen van ZWAANTJE over, die we dan natuurlijk van een nummer van
ons moesten voorzien.
In het begin wisten we ook niet, welke de gevaren
waren, die we onderweg hadden te trotseeren en daarom werden de berichten,
die verzonden waren, onmiddellijk daarna vernietigd. Mede omdat in het begin
ook de zenuwen een woordje meespraken, kon je je na weken niet meer
herinneren, onder welk nummer bepaalde telegrammen waren verzonden, zoodat
het logboek in den aanvang nogal wat hiaten vertoonde. Ook kwam het in het
begin wel voor, dat de telegrammen niet in de juiste volgorde werden
overgebracht, omdat de "grootte" van het bericht een rol speelde. Dit
veroorzaakte veel opmerkingen van den Chef Staf, veel besprekingen met
CHRIS en veel correspondentie. Het was van de zijde van de Staf wel
begrijpelijk, dat een telegram werd ontworpen, waarin aan de overzijde werd
geklaagd over gebrek aan discipline van het radiopersoneel (medewerkers).
Doch na meerdere besprekingen werd dit telegram gelukkig ingetrokken,
waardoor een breuk tusschen KAREL en den O.D. werd voorkomen.
KAREL was nu eenmaal een man van groot formaat in de illegaliteit, al kon
hij de zaken wel eens tè scherp stellen. Ik meende evenwel in deze
telegram-kwestie de zijde te moeten kiezen van KAREL,
die ontzettend veel en goed werk heeft verricht.
Ik heb mij steeds op het standpunt geplaatst, dat ik, als behoorende onder
den O.D., mij stipt had te houden aan de bevelen, die door den
Chef Staf werden verstrekt. Eenmaal, bij het uitbreken van de
Meistaking 1 ben ik daar van afgeweken.
Deze staking, ik kom daar ruitelijk voor uit, had niet mijn sympathie.
Ik heb dat KAREL, die in het verzet één van de belangrijkste leiders was,
onomwonden gezegd. Ik kon mij niet vereenigen met proclamaties, die de
bevolking opriepen tot stakingen, met de bloedige gevolgen daaraan verbonden,
terwijl de ontwerpers veilig ondergedoken waren. Bovendien stond het vast,
dat de stakers onmogelijk op dat tijdstip op daadwerkelijken steun van de
overzijde zouden kunnen rekenen.
Desondanks heb ik, toen KAREL mij de opdracht gaf een verkorte inhoud van
de proclamaties, alsmede alle verorderingen van Rauter aan Engeland over te
brengen, daaraan gevolg gegeven, vooral, omdat hij, als Chef van den
Radiodienst, de volle verantwoordelijkheid tegenover den Chef van den Staf
zou dragen. Dit is de eenige maal geweest, dat ik ongeveer 4 uur aan een stuk
met Engeland heb gewerkt,
de oproep van den Raad van Verzet (RVV) om de
actie door Radio-Oranje te doen steunen, heeft uitstekende resultaten gehad,
dagenlang heeft Radio-Oranje in krachtige toespraken de staking gesteund.
|
 |
De bom barstte, toen de
Nederlandsche Regeering in London aan den Chef van den Staf Inlichtingen
verzocht over den Raad van Verzet en een opgave vroeg van de personen, die in
dien Raad zitting hadden. Ik kan mij volkomen de ontstemming van den
Chef Staf indenken, toen bleek, dat zonder zijn medeweten deze telegrammen
waren verzonden. Toen KAREL dan ook nog meerdere telegrammen over deze
aangelegenheid wilde verzenden, heb ik dat resoluut geweigerd en hem
medegedeeld, dat ik in den vervolge, de normale actueele telegrammen
uitgezonderd, uitsluitend berichten zou verzenden, die van den
Chef Staf kwamen.
Er werden verschillende besprekingen aan deze pijnlijke kwestie gewijd
tusschen KAREL, CHRIS (ik weet nu eerst, dat CHRIS-Bührmann heet)
en mij, waarbij CHRIS de gevoelens van den Chef Staf vertolkte.
Het ging er meedere malen vrij heftig toe, KAREL wenschte
evenwel niet toe te geven. Tot een oplossing hebben deze besprekingen dan ook
eigenlijk niet geleid, alleen heeft KAREL doorgedreven, dat in den vervolge
CHRIS de 14-daagsche besprekingen met de gewestelijke radio-commandanten
niet meer zou bijwonen, aangezien "daar uitsluitend interne radio-aangelegenheden
werden besproken".
Vanaf dit oogenblik heeft het niet meer geboterd. KAREL voelde de
werkingssfeer in den O.D. voor hem te beperkt en gaf een groot gedeelte
van zijn tijd aan andere illegale bewegingen. Ik blijf van meening, dat hij,
in welk verband, of in welke organisatie ook, alleen reeds door zijn
persoonlijkheid, buitengewoon werk heeft verricht, werk waarvan de
belangrijkheid in vele gevallen ver boven dat van den O.D. lag.
Vrees was hem volkomen vreemd, de gevaarlijkste opdrachten voerde hij uit en
hij was voor velen een voorbeeld. Doch door al dat andere werk moest zijn
eigenlijke werk, dat van Chef van den Radiodienst van den O.D. lijden.
Het gevolg was, dat hij steeds meer medewerkers in de kopgroep-radio
inschakelde, op elke volgende bijeenkomst zag men weer nieuwe gezichten.
Al die lieden kregen een bepaalde taak, waardoor zijn werk werd verlicht en
hij meer tijd voor andere organisaties ter beschikking kreeg.
Al beviel mij
deze gang van zaken niet en al heb ik dit meermalen KAREL medegedeeld,
ik heb er geen "portefeuille-kwestie" van gemaakt, omdat het binnenlandsche
net tenslotte niet zòò kwetsbaar was.
Anders werd evenwel de zaak, toen hij aan het Engeland-verkeer begon.
Hij had reeds eenige malen gepoogd mij marconisten voor het verkeer met
Engeland op te dringen. Ik heb dit steeds afgewezen.
Op een bepaald oogenblik
kwam KAREL met het voorstel bij mij, dat alle radiocommandanten op de
hoogte zouden worden gebracht van de code, welke in het Engeland-verkeer
gebruikt werd. Ik heb mij daartegen verzet, omdat ik het onjuist vond, dat al
deze menschen, die niet in het Engeland-verkeer waren ingeschakeld deze code
zouden kennen en daardoor kennis konden nemen van den inhoud van de berichten
van- of voor den Chef Staf.
Met dit standpunt heeft de Chef van den Staf zich volkomen vereenigd en mij
gelast dit dan ook na te laten. Een pijnlijk moment was het daarna voor mij,
toen ik voor een uitzending bij Aussems in Koog-Zaandijk moest zijn en daar
de opdracht van KAREL vond, Mevr. Aussems de code te leeren. Ik heb,
ondanks de minder prettige verstandhouding welke daardoor ontstond, dit
positief geweigerd. Alleen KOOS (Rijkeboer) in Groningen, die vanaf het
begin zijn medewerking op dat gebied had verleend, bleef als codeofficier
ingeschakeld.
Daarna kreeg ik van KAREL een "ontwerp Engeland-verkeer" toegezonden. In
dit ontwerp had hij het land in een aantal districten verdeeld. In elk
district zou voor het Engeland-verkeer worden benoemd een radio-commandant,
een technicus en eenige marconisten. Mijn taak zou dan zijn de telegrammen
van den Chef Staf te distribueeren, te bepalen op welken dag een bepaalde
groep zou moeten uitzenden, zorg te dragen, dat telegrammen en kristal aan
den radio-commandant zouden worden toegezonden enz, enz. Tegen dit ontwerp
heb ik mij met klem verzet.
In de allerlaatste plaats was het aantal telegrammen van dien aard, dat ik
deze, met mijn medewerkers in het Noorden
en in Den Haag, zonder eenige moeilijkheid kon verwerken. Vervolgens achtte
ik het funest, dat nog een 30-tal menschen werden ingeschakeld en dus ook van
de verbinding met Engeland op de hoogte waren. Contrôle, of ook andere
berichten, dan die van den O.D. naar Engeland werden overgezonden, was er
ook niet. Veel te lichtvaardig werd heen gestapt over de z.g.
condities. Nu was het nog zóó, dat, wanneer ik bijvoorbeeld vandaag in Den
Haag, wegens de slechte condities, geen behoorlijke verbinding met Engeland
kon krijgen, ik morgen naar Assendelft of Amersfoort ging, om het daar te
beproeven. Vertraging werd dus tot het uiterste teruggebracht. Dat zou nu
radicaal veranderen. Ik moest 2 dagen vóór de uitzending hebben te zorgen,
dat telegrammen enz in het bezit van den betreffenden radio-commandant waren.
Veronderstel nu, dat de uitzending niet gelukte, dan mocht ik blij zijn,
wanneer de bescheiden den volgenden dag weer in mijn bezit waren. Ik kon dan
een andere groep aanwijzen, den daarop volgenden dag mijn koerier daar heen
sturen, in de hoop, dat 2 dagen later de telegrammen zouden kunnen worden
overgebracht. Ze waren inmiddels al een week oud geworden.
Op al deze gronden achtte ik dit ontwerp onaanvaardbaar.
CHRIS, de vertegenwoordiger van den
Chef Staf deelde mijn zienswijze volkomen en ook de Chef Staf deelde
mij via CHRIS mede, met mijn afwijzende houding in te stemmen.
Het bleef niet alleen bij deze kwestie. Het was mij reeds meermalen bij
besprekingen met medewerkers van KAREL gebleken, dat ook zij op de hoogte
waren van het bestaan van de verbinding met Engeland. In Baarn trof ik eens
een man of zes aan, die met onzen radio-dienst niets uitstaande hadden en die
volkomen op de hoogte bleken te zijn. Dit heb ik den Chef Staf
gerapporteerd. Ik heb toen eens een lijstje
samengesteld van menschen, die met onze organisatie niets uitstaande hadden
en die van het bestaan van de verbinding afwisten. Ik kwam toen tot het
ontstellende aantal van 50. Dit heb ik in een uitvoerige nota den
Chef Staf medegedeeld en tegen de gang van zaken ernstig bezwaar gemaakt.
Ik heb daarbij voorstellen gedaan om hieraan radicaal een einde te maken. Het
is mij door KAREL hoogst kwalijk genomen, dat ik mij, buiten hem om,
rechtstreeks tot den Chef van den O.D. had gewend. Ik geef onmiddellijk
toe, dat dit organisatorisch onjuist van mij was, doch van KAREL had ik in
dit opzicht geen medewerking te verwachten, bovendien stond CHRIS in deze
aangelegenheid geheel achter mij.
In een speciaal voor dit doel uitgeschreven bijeenkomst van alle medewerkers
van de kopgroep radio, heeft KAREL deze aangelegenheid aangesneden en mij
dit onorganisatorisch optreden verweten. Ik heb er bij deze gelegenheid op
gewezen, dat de verbinding met Engeland ernstig gevaar liep door het groot
aantal onbevoegden, die van deze verbindinging afwisten en geweigerd mijzelf
op een presenteerblad aan de Gestapo aan te bieden. Vanaf dit oogenblik is
helaas verwijdering tusschen KAREL en mij ontstaan. Ik blijf herhalen,
dat KAREL enorme capaciteiten bezat en ons land onschatbare diensten heeft
bewezen, doch zijn systeem, van desnoods groep voor groep te laten oprollen,
kon ik niet onderschrijven. Dit zou een onnodig aantal slachtoffers hebben
geeischt.
Inmiddels had de Chef Staf in een nota aan KAREL zijn ongenoegen over
deze gang van zaken uitgesproken, hem er op gewezen, dat het uit moest zijn,
dat personen, die met de verbinding niets te maken hadden, daarvan op de hoogte
werden gesteld en hem gelast zich uitsluitend te bemoeien met de technische
aangelegenheden. Aan mij werd tot aan zijn eindbeslissing het verkeer met
Engeland opgedragen en ik werd rechtstreeks geplaatst onder de bevelen van
den Chef Staf.
Vanaf dit oogenblik had KAREL het plan met den O.D. te breken.
Ik heb nog een tusschenvoorstel gedaan, waarin ik KAREL voorstelde op een
volgende bijeenkomst mede te deelen, dat de Engelandverbinding zóó gevaarlijk
was geworden, dat de Chef Staf besloten had de verbinding op te heffen en
dan met een beperkt aantal geselecteerde deelnemers door te gaan en dat hij
(KAREL) ook van deze verbinding de Chef bleef. Dit heeft hij geweigerd en
uit zijn mededeelingen begreep ik, dat hij de radio-verbinding ook voor
andere illegale groepen, dan den O.D. wilde gaan gebruiken.
In deze voor mij moeilijke dagen, - ik had nu eenmaal maanden en maanden met
KAREL samengewerkt -, heb ik zeer veel steun van den Chef Staf en van
CHRIS ondervonden.
Ik ben dan ook rustig met de zaak doorgegaan, daarbij geassisteerd door mijn
medewerkers in Groningen en mijn radio-commandant in Den Haag. Het deed
minder prettig aan, dat Aussems, waarmee ik toch altijd prettig had
samengewerkt, mij de mededeeling deed, dat ik uiteraard van hun zendposten
geen gebruik meer zou kunnen maken. Het beteekende in de praktijk niets, daar
ik over voldoende posten de beschikking had.
Aussems, die ik na mijn bevrijding in Eindhoven ontmoette, meende mij het
verwijt te moeten maken, dat mijn starre houding tot gevolg heeft gehad, dat
bij mijn arrestatie de geheele Engeland-verbinding verbroken is geworden en
dat het tijden heeft geduurd, eer deze weer hersteld was. Dit is onjuist en
getuigt bovendien van volkomen ondeskundigheid. In de allereerste plaats was
wel terdege voor een opvolging gezorgd. Mocht ik worden gearresteerd, dan zou
FRED (Tijdgat uit Groningen) mijn functie overnemen, mocht hij vallen, dan
zou DICK (Reijns in Den Haag) zoo mogelijk de zaak continueeren.
Dat FRED en ik practisch tegelijkertijd zouden worden gearresteerd, was
van te voren niet kunnen worden voorzien, bovendien bleef toch nog altijd
DICK [over].
Met hem is niet fair gehandeld. Kort na mijn arrestatie heeft KAREL
DICK bezocht en met hem de kwestie besproken. Mevrouw Reijns
verklaart, dat DICK geweigerd heeft op de voorstellen van KAREL in te
gaan en alleen in O.D.-verband de zaak zou willen voortzetten.
KAREL heeft toen nagelaten den Chef Staf omtrent het bestaan van
DICK in te lichten, want zooals later bleek, wist men aan de Staf niet,
dat er in Den Haag een DICK bestond.
Eerst geruimen tijd na mijn arrestatie heeft KEES van mijn vrouw het adres
van DICK gekregen. Voor een opvolging was dus terdege gezorgd. Ik had
bovendien behalve aan FRED, ook aan DICK afschriften van de werkplannen
"ETON III" en "ETON IV" verstrekt. Theoretisch was de zaak dus in orde.
En nu de ondeskundigheid. Het is volkomen logisch, dat na onze arrestatie de
verbinding met Engeland verbroken was. Met de apparatuur waren ook de
kristallen in handen van de Gestapo gevallen. Zonder gelijkwaardige
kristallen was dus nooit verbinding met Engeland te verkrijgen.
Bovendien was het hoogst gevaarlijk en onverantwoordelijk om met Engeland te
gaan werken volgens de plannen "ETON III" en "ETON IV", omdat men natuurlijk
niet kon weten, of deze plannen eveneens in het bezit van de Gestapo waren.
Wilde men de verbinding dus weer opnemen, dan moesten èn kristallen van
andere frequentie uit Engeland komen èn bovendien nieuwe werkplannen, waarin
ook de dienstcode was verwerkt.
Dat KAREL niet in het bezit was van de werkschema's van "ETON III" en
"ETON IV" geef ik onmiddellijk toe. Hij had mij destijds telefonisch gevraagd
deze plannen voor één dag te willen afstaan, teneinde deze te laten
fotografeeren. Ik heb dit geweigerd, omdat ik begreep, dat daarvan buiten
OD-verband gebruik zou worden gemaakt en gezegd, dat ik daarvoor eerst de
toestemming van den Chef Staf behoefde.
Deze laatste heeft mij verboden de plannen aan KAREL ter hand te stellen.
Wel heb ik aan de Chef Staf op zijn verzoek volledige afschriften van
beide plannen doen toekomen. De Staf was dus ook na mijn arrestatie in het
bezit daarvan. Laat ik verder over het verwijt van Aussems zwijgen.
Wat reeds lang verwacht werd gebeurde. Eind Juni, of begin Juli, kwam van
Delfzijl het bericht, dat PRINS was gearresteerd. Hiervan heb ik
onmiddellijk Engeland kennisgegeven. Ik ben direct naar Groningen gegaan, om
mij van de situatie op de hoogte te stellen. Het droevige feit deed zich
voor, dat PRINS blijkbaar is gaan praten.
Twee dagen na zijn arrestatie werd geheel Delfzijl gezuiverd. 1
Dr. Oosterhuis werd gevangen genomen, twee kapiteins van de kustvaart en een
bediende van het cargadoorskantoor. Eén van de medewerkers van ZWAANTJE
(dr Oosterhuis), namelijk de "Zuster van Zwaantje" (Edens) was tijdig verdwenen
en had ons nog een bericht voor Engeland kunnen overhandigen, waarin verzocht
werd Zweden te willen waarschuwen, alsmede een bepaald schip.
Dit bericht is door ons dienzelfden dag overgebracht. Ik heb, met goedvinden
van den Chef Staf, daarop het verkeer met Engeland eenige dagen onderbroken,
om de ontwikkeling van de zaak af te wachten.
Toen geen bijzonderheden zich meer voordeden,
hebben we na eenige dagen de verbinding weer opgenomen.
|
 |
Op verzoek van de "Zuster van Zwaantje" (Edens Delfzijl) werd ook de groep
HETTY in Voorburg ingelicht en steeds op de hoogte gehouden, van welke
taak BOL (Bolhuis) zich uitstekend heeft gekweten. Hij heeft, zoolang het
mogelijk was, het contact tusschen het Noorden en de groep HETTY onderhouden.
De daarop volgende maanden heb ik met mijn Groningsche vrienden en met
DICK buitengewoon prettig gewerkt. Van het codeeren en decodeeren was ik
af, code 101 was in gebruik genomen en ik kreeg de telegrammen dus kant en
klaar thuis. Na enkele besprekingen, zoowel bij mij thuis, als in Amsterdam,
konden de HCO (de resident) en ik het uitstekend vinden; de hoofd-codeofficier
was steeds bereid aan mijn wenschen te voldoen, waar het de indeeling enz van de
telegrammen betrof. Vooral de laatste 5 weken, dat ik in Amsterdam woonde,
hebben wij prettig samengewerkt, ik zag hem bijna dagelijks om de door
ontvangen berichten af te leveren en de te verzenden telegrammen in ontvangst
te nemen. Ons eenige verschil van inzicht was de gebezigde code.
Eenige weken na de arrestatie van PRINS werd JOOP (Rustema uit Middelstum)
gearresteerd. Hij was onze VBO (verbindingsofficier)) tusschen den
gewestelijken commandant van den O.D. in de provincie Groningen en onzen
gewestelijken radio-commandant FRED (Tijdgat).
Aangezien niet te overzien was, hoe het verdere verloop zou zijn, achtten
mijn Groningsche vrienden en ik het oogenblik aangebroken om te verdwijnen.
Ik heb eerst eenige nachten elders in Den Haag doorgebracht, doch toen de
S.D. mij begon te zoeken, ben ik, met de hulp van KEES hals over kop
naar Amsterdam vertrokken. De Deutsche Dienstpost had inmiddels al aan de
Nederlandsche PTT gemeld, dat van Schendel was gearresteerd, doch dit
bericht was wel zeer voorbarig en enkele weken te vroeg.
Ik had de schuilnaam SOMER aangenomen en trof het, wat de naam betreft, wel
zeer ongelukkig, toen ik, door bemiddeling van CHRIS onderdak vond bij
Zuster Winter, een gepensionneerde Hoofd-zuster van het Wilhelmina Gasthuis
en wonende Vondelstraat 75 [Amsterdam]. Het was een uiterst lief mensch en zij
heef alles gedaan, om mij het verblijf bij haar zoo aangenaam mogelijk te
maken. Wat ik deed wist zij natuurlijk niet, zij wist alleen, dat ik uit Den
Haag weg moest en zij kende mij slechts als SOMER. 1
Het doet mij nog leed, dat ik haar de overval in haar huis door den S.D. heb
moeten aandoen en de ravage, die deze heeren ! hebben aangericht.
|
 |
Ik voelde mij bij Zuster Winter even veilig als of ik in Londen zat. Slechts
de Chef van den Staf en KEES wisten mijn adres. Ik had daarom in de
Vondelstraat mijn geheele archief. Mijn ontvanger was daar blijvend opgesteld,
transport was ook niet mogelijk en ik moest hem iederen morgen gebruiken.
Vanzelfsprekend had ik, wanneer ik niet op reis was, daar ook mijn
apparatuur en kristallen. Vervolgens had ik er mijn correspondentie met den
Chef Staf, die ik wel moest bewaren, omdat meerdere malen naar vorige
stukken werd verwezen en tenslotte de in de 101-code verzonden telegrammen,
die ik op verzoek van den HCO, in verband met eventueele navragen, in mijn
bezit hield. Had ik de beschikking gehad over nog een andere gelegenheid, dan
zou ik daar het archief hebben opgeborgen.
Het was nu eenmaal niet zoo en achteraf kaarten heeft geen zin.
Het was inmiddels bekend geworden, dat in de provincie Groningen een groot
aantal peilwagens van den S.D. (er zijn dagen geweest dat er maar liefst 9
aanwezig waren) jacht op ons maakten. We kenden de nummers van de wagens,
wisten de garage, waarin ze werden gestald (mooi werk van de Groningsche
vrienden) en werden, als het mogelijk was, ook wel gewaarschuwd, wanneer deze
wagens startten. We hebben ons nooit veel kopzorgen over die peilwagens
gemaakt, ik had te veel jaren zelf clandestiene zenders opgespoord om niet te
weten, hoe ontzettend moeilijk het is, telegrafiezenders op 46 meter te
peilen en dus op te sporen. Bovendien sloeg ik de capaciteiten van de
Duitschers op dit gebied niet hoog aan, zij misten uiteraard de routine, die
voor dit werk noodig is.
Bij het verhoor, dat ik later door de z.g. technici van den S.D.
had te ondergaan, is mij dat nog eens duidelijk gebleken.
We wisten dus, dat vooral de provincie Groningen, de aandachtvan de heeren had.
Toen heb ik een groote fout gemaakt, hoe verklaarbaar deze overigens ook is.
Mijn radiocommandant in Groningen FRED had mij reeds eenige malen om mijn
adres in Amsterdam gevraagd, om mij, indien noodig te kunnen bereiken. Ik had
dat aanvankelijk geweigerd. Tenslotte ben ik voor zijn argumenten gezwicht.
Hij was ondergedoken en wisselde nog al eens van adres en waar hij practisch
elke uitzending in het Noorden met mij verzorgde, moest hij mij wel van een
adreswijziging kennisgeven. Dit is mij funest geworden, in de laatste week
van Augustus zond hij naar mijn adres in Amsterdam een brief en zette op de
achterzijde een gefingeerde naam en straat. De post in Groningen is, zooals
ik later hoorde, weken lang gecontroleerd geworden en de S.D. had nu beet.
In de late avonduren van 3 September werd FRED en zijn echtgenoote, die
gelukkig na 7 weken werd vrijgelaten, gearresteerd. Zaterdag volgden Bolhuis
en Beenen; KOOS was gelukkig grondig ondergedoken en zij hebben hem nooit
kunnen vinden. Eenige weken later volgde helaas onze vriend Veldstra uit
Joure.
Zaterdagmorgen 4 September 1943.
Ik was, zooals mijn gewoonte was, wanneer ik "thuis" was, om 9 uur even naar
de kerk, vlak tegenover mijn woning gegaan. Ik had om half tien een afspraak
met KEES, die voor mij een brief en ondergoed naar mijn vrouw in Den Haag
zou brengen, zoo noodig via DICK.
In dien brief stonden eenige dingen, die voor mijn vrouw wel eens bezwaarlijk
konden zijn, doch die zij beslist moest weten. Om even voor half tien ging ik
mijn woning binnen, om één en ander voor KEES te halen. Op mijn hoge
post - 74 treden hoog - heb ik absoluut niets gehoord, wat op gevaar wees,
had anders altijd veilig via het belendende perceel kunnen ontkomen.
Plotseling kwamen twee Hollandsche (!) rechercheurs met getrokken revolver
binnen en eischten mijn persoonsbewijs. Ik gaf heel toevallig mijn eigen
persoonsbewijs, waarop de eene tegen den andere opmerkte: "Neen, dien moeten
we niet hebben. We zoeken Somer". Ik kreeg mijn persoonsbewijs terug en moest
mee naar beneden, waar alle bewoners bijeen waren gebracht. Zij werden stuk
voor stuk verhoord. Ik had aan een klein tafeltje, bedekt met een perzisch
tapijt moeten plaats nemen, waar één der rechercheurs mij een verhoor afnam.
Gedurende dat verhoor slaagde ik er in, het couvert met den brief aan mijn
vrouw onder het tafelkleed te werken, waar hij eerst maanden later gevonden
werd. Dat gevaar was dus weg. Men vroeg mij, wat ik in Amsterdam deed en ik
vertelde uitvoerig, dat ik werkzaam was op het telegraafkantoor in Den Haag
en thans op hulpverleening op het kantoor in Amsterdam was. Ik wist
natuurlijk, dat ik voor een verloren zaak streed, want bij de huiszoeking,
die onherroepelijk zou volgen (men was trouwens in de vertrekken van Zuster
Winter reeds daarmede begonnen) zou men natuurlijk, zoowel den zender, als het
overige materiaal vinden.
Er werd mij o.m. ook gevraagd, hoe lang ik reeds
in Amsterdam was en ik had daarop geantwoord, ongeveer drie maanden. Ik
bemerkte, dat één van de aanwezige dames in de hoek van de kamer tegen één
der Duitschers iets zeide en voelde, dat het zooiets was van "Drie maanden
bestaat niet, we hebben den man geen van allen ooit gezien". De betreffende
Duitscher sprong op me toe en brulde tegen mij: "Bij de eerste beweging die U
maakt, schieten we U neer". Het verhoor was plotseling ten einde en ik werd
onder zware bewaking naar boven gebracht, waar men al spoedig alles vond, wat
men noodig had. Mijn spel was uit. Liever was ik gevallen op het veld van
eer, namelijk bij een uitzending, dan op deze wijze. Enfin, het zij zoo.
Mijn handen waren op mijn rug geboeid en ik werd, onder begeleiding van een
aantal revolvers, naar beneden gebracht, waar het aantal aanwezigen inmiddels
belangrijk was uitgebreid. Allen, die in de buurt van het huis kwamen, werden
eenvoudig naar binnen gehaald, de slager, de kruidenier enz. Tot mijn grote
ontsteltenis ontdekte ik bij de aanwezige "slachtoffers" ook mijn koerier
KEES. Dit kon een ramp betekenen, immers KEES kende CHRIS en de
laatste de Chef Staf. Niet dat ik vreesde, dat KEES of CHRIS zou
praten, doch hij kon papieren bij zich hebben, die de S.D. op het spoor
zouden kunnen zetten. Men was echter blijkbaar zóó verheugd over de groote
vangst, dat de bevelvoerende S.D.er de verzamelde menigte toebrulde:
"Jullie kunt vertrekken, maar je zwijgt over hetgeen hier is gebeurd".
En tot mijn groote blijdschap kon ook KEES vertrekken. We hebben elkaar
eens aangekeken en daarmee was het afgeloopen. Menschelijkerwijze gesproken
zouden wij elkaar op deze wereld wel niet meer terug zien. Ik ontdekte toen
ook de ravage, die men had aangericht, de geheele binnendeur van de appartementen
van Zuster Winter, die op dat oogenblik in Arnhem vertoefde, was ingetrapt.
Ik werd in de voor de deur staande auto gestopt, de apparatuur en al mijn
eigendommen werden ingeladen en het was met TON fini.
Gearresteerd.
Van de Vondelstraat werd ik gebracht naar de Euterpestraat, naar het
hoofdkwartier van de S.D. in Amsterdam. Ik werd daar geheel ontkleed,
mijn colbertcostuum onderging een volledige operatie. De revers werden
opengescheurd, evenals al de naden jas, vest en broek. Blijkbaar werden naar
geheime documenten gezocht. Ook mijn ondergoed, sokken en schoenen werden aan
een grondig onderzoek onderworpen. Toen ik mij weer had mogen aankleeden, was
ik werkelijk in lompen gekleed.
Het zal toen ongeveer elf uur zijn geweest,
ik werd weer in de auto gestopt en in een razend tempo gingen we naar Den
Haag, waar ik om bij twaalven aan het Binnenhof werd afgeleverd.
Ik werd, steeds geboeid natuurlijk, naar de tweede etage gebracht, waar ik in
een leunstoel werd geplaatst, waarna één van mijn beenen aan de poot van den
stoel werd geboeid. Men nam deze voorzorgsmaatregelen om te voorkomen, dat je
plotseling uit het raam zou springen, hetgeen, zooals ik later hoorde, was
voorgekomen. Dat eerste verhoor heeft 36 uur aan één stuk geduurd. Het begon
onmiddellijk bij aankomst en eindigde voor de eerste maal Zondagavond om even
over 12 uur 's nachts. Zoo ongeveer om de 5 of 6 uur verscheen een nieuwe
ploeg ondervragers, om de andere ploeg af te lossen.
Ik stelde mij in den
aanvang van het verhoor op het standpunt alleen over mijzelf te spreken. Ik
herhaalde maar steeds, u hebt toch alle bewijzen, u hebt den zender, de
telegrammen, mijn bescheiden, ik beken te hebben gezonden, wat wilt u nog
meer. Op een bepaald oogenblik zei ik nog, mijn geval is toch zoo eenvoudig
als maar mogelijk is en ik beken toch, schieten jullie me dan dood. Maar heel
laconiek kreeg ik als antwoord: "Aan een doode getuige hebben we niets, we
willen meer weten, vertelt u maar".
Toen ook dat geen indruk maakte, werd een
der SDers erg boos, pakte de telefoon, draaide een nummer en zei:
"U spreekt met de Gestapo, wilt u de geheele familie Van Schendel,
Kamperfoelieplein 3 arresteeren", waarop ik antwoordde: "Wanneer dan toch mijn
vrouw en kinderen gearresteerd worden, behoef ik helemaal niets meer te
zeggen."
Ik heb dat ongeveer een half uur volgehouden, waarop een nieuweploeg aantrad
onder leiding van een zekere Haubrock, die later mijn Sachbearbeiter zou
worden. Deze man trad vrij fatsoenlijk op en is dat trouwens altijd gebleven.
Toen ik op die opbellerij wees, zei hij: "Ach, dat loopt zo'n vaart niet, het
duurt minstens een uur voor en aleer die opdracht wordt uitgevoerd".
Hij vroeg mij: "Kent u Karel, FRED, HARRY en Bol?"
Op mijn bevestigende antwoord vroeg hij: "Hoe zijn de werkelijke namen van
die personen?" Toen ik antwoordde: "Ik ken die lui alleen bij hun schuilnaam",
zei hij: "Kom, kom, u weet wel beter, u hebt altijd met die lui samengewerkt en u
was bij hen kind aan huis". ?FRED} zit hier boven en wordt ook verhoord en
HARRY en BOL zijn eveneens gearresteerd", waarop ik weer: "U kunt mij nog
meer vertellen, ik geloof niet alles."
Haubrock zei daarop:"Ik zal nu iets doen, wat ik eigenlijk niet mag doen,
ik zal u laten zien, dat FRED er is."
Ik werd van mijn stoel losgemaak, mee naar boven genomen en in een kamer
gebracht. En inderdaad, geboeid en op de zelfde wijze als ik daarvoor aan een
stoel gekluisterd zat FRED (Charles Tijdgat). We hebben elkaar de hand
gedrukt en elkaar sterkte toegewenscht.
Het verhoor was nu even minder stroef; ik kon nu rustig over FRED gaan
praten en vertelde dat ik hem had aangezocht en overgehaald om dat werk te
doen en dat hij inderdaad aan een enkele uitzending had deel genomen. Dit
laatste werd onmiddellijk tegengesproken (er werden tusschen de beide kamers
van het verhoor briefjes gewisseld).
FRED had aan veel meer uitzendingen deelgenomen en of ik maar eens wilde
vertellen, waar overal was uitgezonden. Ik zei: "In Amsterdam, waar ik
gearresteerd werd, in Den Haag bij mij thuis, toen daar niemand aanwezig was,
's vonds laat op den Radio-Contrôledienst en een enkele maal bij FRED
thuis". "Oh, neen nog veel meer plaatsen" en hij nam een briefje op
"Kent u Boelens, kent u Rustema, kent u Beenen". Alle zendposten waren dus al
bekend en het had geen zin, dat verder te ontkennen en gaf dus toe, zoowel in
Hoogezand, in Middelstum als in Groningen eveneens te hebben uitgezonden.
Andere zendplaatsen waren mij niet bekend en ik heb dat gelukkig kunnen
volhouden, waardoor ik al die die menschen heb kunnen sparen. Alleen is onze
vriend Veldstra uit Joure eenige dagen later gearresteerd, omdat men in de
agenda van FRED het adres van Veldstra vond.
Precies hetzelfde vond met de code plaats. Ik kende vanzelfsprekend de code
niet en vertelde uitvoerig, dat ik de telegrammen van den Chef Staf kreeg
in een voor mij absoluut onbekende code. Dit werd aanvankelijk niet aanvaard,
want men zei: "U kent toch zeker dat versje wel: Toen onze mop een mopje was,
u gaat maar verder" en aangezien ik ook hierover niet behoefde te zwijgen,
heb ik het versje dus verder opgedreund. Ik herinner mij, dat we nog even
verschil van meening hadden, ik zei o.m. "was het aardig hem te zien"
en bij hem stond op het lijstje "was het aardig om te zien". Ik kreeg den
indruk, dat al die gegevens, waarover zij beschikten reeds eenigen tijd oud
waren, zij waren tenminste getypt en de papieren droegen een volgnummer.
Meer interesse hadden zij voor de wijze, waarop ik de telegrammen in mijn
bezit kreeg. Ik deelde mede, dat ik deze ontving van mijn koerier KEES.
(Ik hoefde deze schuilnamen niet te verzwijgen, daar die allen in de in
beslag genomen stukken voorkwamen.) Namen wist ik natuurlijk van geen van
allen en dat heb ik tot aan het einde volgehouden. Ik moest natuurlijk van al
de lui persoonsbeschrijvingen geven, doch dat is van geen beteekenis, je
kletst maar wat. Waar of KEES mij de berichten overhandigden en zonder
haperen antwoordde ik: "In de poort van Kleef naast het Postkantoor in
Amsterdam". "Daar ontmoette ik hem altijd Dinsdags en 's Vrijdags".
Zij hebben
dat geloofd, want Dinsdagmorgen kwam men in mijn cel in Scheveningen, ik
moest mijn kleeren geven en een half uur later kreeg ik ze hersteld terug, ik
werd geschoren en naar het Binnenhof vervoerd, waar Haubrock mij zeide:
"Het is Dinsdag, we gaan naar de Poort van Kleef in Amsterdam om KEES te
ontmoeten". De methoden van de Gestapo kennende, bij negatief resultaat een
behoorlijke mishandeling, heb ik die reis, althans voor mij, niet door te
laten gaan. Ik zei o.m.: "Dacht u, dat de O.D. zoo'n kinderachtig
troepje was, dat zij op Dinsdag nog niet weten, dat CMC TON op
Zaterdag gepakt is".
Het gelukte, ik werd tot een transport naar het Oranje-Hotel terugging, in
het gebouw van Rauter in een cel gestopt en Haubrock ging blijkbaar alleen
een kijkje nemen. Ik gunde hem de lol, KEES en ik hadden elkaar nog nooit
in de Poort van Kleef ontmoet.
Zoo'n zelfde spelletje herhaalde zich Zaterdag d.a.v.
Uit de stukken had men opgediept, dat 's Zaterdags de
kopgroep Radio altijd een bespreking hield en men had mij de vraag gesteld,
waar deze bijeenkomsten werden gehouden. Mijn antwoord luidde: "In het
tramkoffiehuis vóór het station van Amersfoort" en prompt op den volgenden
Zaterdag werd ik in een kamertje in het Oranje-Hotel nog eens uitvoerig
gevraagd, hoe al die personen, zooals KAREL, CHRIS, ANDRIES
en "OOM BEREND" er precies uitzagen. Hij ging naar Amersfoort.
Succes was natuurlijk bij voorbaat uitgesloten.
Wij zijn met een paar luidjes, langer dan een jaar geleden, alleen de
allereerste keer eens in dat koffiehuis tezamen gekomen, daarna werd veelal ten
huize van JOHAN (Engel Amersfoort) of elders vergaderd.
Maanden later werd ik in Haaren nog eens bij Haubrock ontboden, die mij toebeet:
U hebt destijds gelogen, U vergaderde in Amersfoort bij JOHAN, waarop ik
antwoordde: "Hoe komt u erbij, dat ik gelogen heb, we hebben in dat koffiehuis
vergaderd en u hebt mij niet gevraagd, vergaderde u ook nog wel eens ergens
anders en ìk had geen aanleiding om u dat te vertellen".
Daarop het volgende spelletje: Kent u JOHAN? Jawel. Hoe heette hij?
Weet ik heusch niet. Weet u wel. Absoluut niet. Ik zal u helpen, heette hij
"Teufel" (duivel)? Neen, zoo heette hij niet. Hoe dan? Geen Teufel?
Neen, kan het mij heusch niet meer herinneren.
Verd..., zal het dan zelf maar zeggen: "Engel".
O ja, nu weet ik het weer. Het was Engel.
Moeilijker en ook pijnlijker was de behandeling van mijn zakagenda.
Vooral het lijstje met telefoonnummers en namen had de bijzondere aandacht,
later werd het boekje bladzijde voor bladzijde en aanteekening voor
aanteekening onder de loupe genomen. Ik heb direct toegegeven, dat de
telefoonnummers, waarvoor KAREL stond, nummers waren, waar ik KAREL
wel eens kon bereiken, evenals het nummer, waarvoor KEES stond,
het nummer was, waaronder ik KEES kon krijgen.
Ten eerste hielp ontkennen niets, want het stond er nu eenmaal, maar
bovendien was ik, noch voor KEES, noch voor KAREL ongerust.
KEES was bij mijn arrestatie geweest, hij zou wel zorgen verdwenen te zijn
en KAREL zou op dien Zaterdagmiddag zijn eerste onderhoud hebben met den
Chef Staf en ongetwijfeld via KEES en CHRIS op de hoogte zijn
gebracht.
Deze gedachte is nu gebleken, volkomen juiste te zijn geweest, op
dien zelfden Zaterdag heeft KAREL in Den Haag DICK (Reijns) opgebeld met
de mededeeling: "Ton is ernstig ziek en in het ziekenhuis opgenomen".
Ik moest dus voor gevallen, die "safe" waren, of die reeds "zaten", zooals
FRED en HARRY zeer openhartig doen, om daardoor een betrouwbaren indruk
te maken en zoo mogelijk de kwetsbare personen te redden.
Dat me dit uiteindelijk gelukt is, is niet alleen het gevolg van mijn
vindingrijk liegen, doch ook, omdat vooral Haubrock, verre van snugger was en
bovendien nogal arrogant. Van deze laatste eigenschap heb ik meermalen een
dankbaar gebruik kunnen maken. Toen hij dan ook aan de andere telefoonnummers
begon, vroeg ik of ik iets mocht zeggen en ik zette dan in den breede uiteen,
dat ik, als ambtenaar van den radio-controledienst, sedert ruim een jaar,
mede belast was met het uitoefenen van contrôle op de radiohandelaren in
Nederland en daarvoor het geheele land afreisde.
Ik had een gezin en hij kon zich toch best indenken, dat ik deze dienstreizen
mede gebruik maakte, om voor mijn gezin zoo mogelijk aan levensmiddelen te
komen. Dat begreep hij volkomen.
Ik had ook nog het geluk, dat voor die andere telefoonnummers geen schuilnamen
stonden, zooals FRED, HARRY, KAREL en KEES,
doch de afkortingen van plaatsnamen zooals Vl voor Venlo, Nm voor Nijmegen,
Vsv voor Varsseveld, Hst voor Hasselt enz.
Ik heb daar ook nadrukkelijk opgewezen, waren dat medewerkers van me
geweest, dan had daar een schuilnaam gestaan. Dit was niet het geval, het
waren dan ook óf collega's óf vrienden van me.
En ik begon mijn verhaal: Van Teunissen in Venlo, de Chef monteur van de
PTT kreeg ik altijd roggebrood, een enkele maal een paar eieren, van Van
Braak in Varsseveld rogge en een enkele maal witte boonen, van Becker in
Hasselt (de radio-commandant van Zwolle) had ik tweemaal boter gekregen en
zoo werd een heel rijtje nummers afgewerkt, bruine boonen, groene erwten,
tarwebloem, van alles had ik op de kop weten te tikken.
Haubrock wilde zelfs een keer geestig zijn (hoe bestaat het voor een mof) en
zei bij een bepaald telefoonnummer "Nu krijgen we zeker groene boonen Herr
van Sjendel".
Een gelukkige factor was ook nog, dat waar ik inderdaad van
sommige dezer vrienden wel eens levensmiddelen had toegezonden gekregen, bij
eenige telefoonnummers ook het gironummer van den betrokkene stond, waar ik
vanzelfsprekend ook de aandacht op vestigde.
Deze leugenpartij heeft volkomen succes gehad, geen van de betrokken
medewerkers heeft bezoek gehad of moeilijkheden ondervonden.
Ik prijs mijzelf gelukkig onmiddellijk te hebben aangevoeld, dat het bij
zoo'n eerste verhoor wel niet zou blijven en ik heb mijzelf daarop ingesteld.
Iedere nacht nà een verhoor gebruikte ik daarom een gedeelte van mijn
nachtrust, die overigens ruim genoeg was, om grondig te repeteeren, wat ik
precies over een bepaald persoon, of een bepaalde zaak had gezegd. Dit heeft
de mening van Haubrock over mijn betrouwbaarheid vermoedelijk aanzienlijk
versterkt.
Inderdaad kreeg ik gelijk, niet alleen werd herhaaldelijk op een
bepaalde zaak of bepaalde persoon teruggekomen, doch na ongeveer een 14 dagen
verhoor, werd mij op een morgen gezegd, zie zoo Herr van Sjendel, we zullen
dit stapeltje nu maar eens opzij leggen (het was inmiddels een dik pak
getypte vellen geworden) en laat ons maar eens opnieuw beginnen, we stappen
maar over de inleiding heen, over de namen en de woonplaatsen van uw familie,
over uw ontwikkeling, uw maatschappelijke loopbaan enz. Begint u maar eens
bij het begin "Hoe en wanneer bent u met KAREL en dus met de O.D. in
contact gekomen." En de geheele litanie moest dagen lang weer worden
afgedraaid en de beide protocolen werden natuurlijk later met elkaar
vergeleken. Ik weet zeker, dat er geen verschillen in zijn ontdekt en dat ik
Pieterse geen witte boonen, in plaats van groene erwten en Jansen geen
tarwebloem voor roggebrood heb laten leveren.
Haubrock was naief, vrij stom en ijdel, dat is ongetwijfeld voor velen een
geluk geweest. Toen ik positief verklaarde, dat mijn gezin niets van mijn
werk afwist, ik eenige uitzendingen had gedaan, toen niemand thuis was en ik
alles, wat ik voor mijn illegale werk noodig had gebracht had naar Amsterdam
en daar door den S.D. in beslag was genomenen en ik in mijn wooning absoluut
niets had, werd dit volkomen geloofd. Ik heb nooit thuis een huiszoeking
gehad, alleen werd mijn huis geruimen tijd bewaakt, stond mijn telefoon onder
contrôle en werd mijn post opgehouden.
Het Oranje-Hotel was, afgezien van den honger, die er geleden werd, het
gesnauw en gesar van de S.S.-bewakers en de mindere gezelligheid van de cel,
niet onaangenaam. Je zat er wel streng "Einzelhaft" en je werd nooit gelucht,
doch je had een pracht contact met je buren.
Toen ik Maandagmiddag in mijn cel werd gestopt, volgde er onmiddellijk van
mijn rechterburen een geklop op de muur, eerst reageerde ik er niet op, kende
de situatie nog niet, doch toen het geklop zich eenige malen herhaald had,
heb ik ook maar eens teruggeklopt.
Daarna werd geroepen: "Bent u een nieuweling" en op mijn bevestigend antwoord
zei men "Kijk u eens naar de rechterzijde van het tafeltje" (er was een plank
aan de muur bevestigd, die voor tafel dienst moest doen). U ziet daar een
propje zitten, haal dat er eens uit en nadat ik dat gedaan had kwam een gat
van bijna 2 centimeter vrij. Ziezoo werd gezegd, nu kunnen we elkaar spreken
en zien. Laten we met het laatste beginnen, gaat u maar eens aan de andere
zijde van de cel op uw krukje zitten, dan kunnen we u eens bekijken.
Zoo gezegd, zoo gedaan en na eenige minuten werd geroepen, we hebben u alle
drie gezien, komt u nu maar eens met ons kennis maken. Ik me voor het gat
opgesteld en jawel hoor, stuk voor stuk kon ik de luitjes uitstekend zien.
"Ik ben Berkemeijer uit Den Haag; aangenaam, hier van Schendel uit Den Haag;
dit is Paulussen uit Rotterdam en dit is, de naam is me ontschoten, het was
een Duitscher uit Amsterdam".
Onmiddellijk werd ik leeggepomt aan nieuws, ik had Zaterdagmorgen nog de
BBC beluisterd, dus kon ik vrij actueel nieuws vertellen.
Het gaatje moest even dichtgestopt en een oogenblik later werd gebruld:
"Hallo hier cel 570, hier volgt het laatste officieele nieuws uit Engeland",
waarna getrouw het gehoorde werd herhaald. Het was jammer, dat de luitjes
"Hier cel 570" erbij hadden gezegd, want dit was gehoord en door een
Hollandsche S.S. vloerwachter, die natuurlijk niet naliet, dit te
rapporteeren. Den volgenden morgen kwam dan ook prompt dien ellendeling van
een wachtmeester bij de jongens met de mededeeling "Drie dagen kalte Kost",
zij werden naar "voren" gehaald, om te verklaren, hoe zij aan dat nieuws
waren gekomen en alle drie hebben verklaard, dit bij den kapper te hebben
gehoord. Verraad kende men daar niet, ik heb daar meedere malen prachtige
staaltjes van meegemaakt.
Drie dagen koude kost is een erge straf. Het
beteekent, dat men drie dagen lang uitsluitend moest leven op de vier
boterhammen, die 's avonds werden verstrekt. Zelfs de koffie, als zijnde een
warmgeval, werd 's morgens en 's avonds ingehouden. Wat dit bij den toch al
geleden honger beteekent, begrijpt een ieder.
Ik heb van deze drie vrienden veel hartelijkheid en ook steun ondervonden.
Af en toe werd er eens extra geklopt en zei men, het is zoo stil bij je, zit
je soms in de put, vooruit kerel, we zullen maar eens een extra babbeltje
houden en dan praten we maar eens over onze vrouwen en kinderen en vertelde
ik van mijn verhooren.
Hoe naief die Haubrock was, moge o.a. nog uit het volgende blijken.
Hij was met mij bezig mijn zak-agenda grondig uit te pluizen, van elk
aanteekeningetje moest ik een verklaring geven, in Augustus stuiten we
plotseling op de letters RS bij een bepaalde datum. Ik herinnerde mij
onmiddellijk, dat die aanteekening RS, met een tusschenruimte van 5 à 6
weken nog tweemaal in mijn boekje voorkwam. Het beteekende, dat ik op dien
datum een uitzending naar Engeland zou verzorgen vanuit het huis van Reijns
in Den Haag, wiens roepletters als zend-amateur PA0RS waren.
"Wat beteekent RS?" Even zat ik, doch gelukkig herinnerde ik mij, dat we kort
daarvoren een dienstreis naar Roodeschool hadden besproken, waarvan de
reisduur voor mijn declaratie in mijn agenda stond aangetekend. Alleen had ik
daar de afkoring Rds gebruikt.
Ik zei glashard: "RS beteekent Roodeschool". "A zoo, hebt u daar ook al
uitgezonden, waarop ik antwoordde, welnee u herinnert zich toch wel, dat ik
daar straks verteld heb van dat storingsgeval in Roodeschool, dat we van het
telefoondistrict Groningen de klacht hadden ontvangen, dat de radio-centrale
in Roodeschool door één of ander apparaat werd gestoord en dat ik daar een
onderzoek heb ingesteld. De storing bleek te worden veroorzaakt door een
apparaat en ik heb de bezitters gelast het apparaat storingsvrij te
maken en medegedeeld, dat ik terug zou komen, om te controleren, of dat
inderdaad geschied was. Welnu, die aanteekening RS op dien datum in
Augustus beduidt, dat ik voornemens was dien dag naar Roodeschool te gaan.
Ik was evenwel door dienst verhinderd en was daarom van plan later te gaan, u
zult nog tweemaal zoo'n promemorie aanteekening RS tegenkomen.
Het werd grif geslikt, terwijl de kerel nota bene een gedrurkte alphabetische
lijst van de Nederlandse zendamateurs voor zich had liggen. Je moet maar
boffen met zoo'n Sachbearbeiter. Eén ding heeft hij God zij dank over het
hoofd gezien, op den omslag van de agenda had ik een heele boel krabbels
staan, aanteekeningen, die niets om het lijf hadden en veelal den dienst
betroffen. Doch in het linkerbovenhoekje stond zeer ongelukkig geschreven
(ik had dat destijds in het donker moeten doen) de naam Aussems,
de radio-commandant van West. Dit heeft hij tot drie maal toe over het hoofd
gezien. Het boekje hebben we namelijk drie maal doorgenomen, het laatst nog
in Haaren.
|
|
Moeilijke oogenblikken heb ik beleefd bij het verhoor door de z.g.
technici, doch ook zij maakten een capitale fout, waar ik een gretig gebruik van
heb gemaakt. Een van die lui sprak vloeiend Nederlandsch en hij begon
ongeveer als volgt: "Wij zijn ook amateurs en wij begrijpen volkomen, wat een
sensatie het is, als je daar verbinding krijgt met Engeland. Wij doen ook aan
die hobby en wij zouden, als wij in uw plaats waren geweest, het ongetwijfeld
ook hebben gedaan.
Laten we daarom de zaak sportief opvatten. Wij hebben onze
plicht moeten doen en getracht u door peilingen op te sporen.
Laten we nu eens de peilingen gaan vergelijken met de werkelijke
uitzendplaatsen, we kunnen dan eens vaststellen, hoe groot onze miswijzingen
zijn geweest".
|
In dat valletje trapte ik natuurlijk niet en ik herhaalde alleen in de
bekende plaatsen in de provincie Groningen,
in Amsterdam en vanuit bekende
twee perceelen in Den Haag te hebben uitgezonden.
Men kwam toen met mijn statistiek op de proppen, waar ik gelukkig eerst van
de laatste twee weken op had genoteerd, welke de resultaten waren van gehouden
uitzendingen, wel stonden, te beginnen met Joure, alle plaatsen onder
elkaar, van waaruit uitzendingen zouden plaats vinden.
Zij wenschten echter eerst over Den Haag te praten, waar van meerdere
plaatsen zou zijn uitgezonden. Ik hield evenwel voet bij stuk, mij waren
slechts twee perceelen bekend. Toen zei er één: "U hebt uitgezonden vanuit
het perceel Groenmarkt nr. 3". Ik kon dit rustig ontkennen, doch begreep, dat
men op het oog had òf de woning van DICK in de Torenstraat, òf het gebouw
van de C.J.M.V. aan de Prinsengracht, beide perceelen, hemelsbreed niet ver
van de Groenmarkt verwijderd en van waaruit ik verscheidene malen had
uitgezonden.
|
|
|
Ik betoogde daarop: " Dan heeft KAREL vanuit Den Haag gezonden, hij had
nog eenige marconisten tot zijn beschikking en kreeg van mij zoo noodig de
vereischte kristallen". Toen werd de capitale fout gemaakt. Eén van de
technici zei: "Het is heel goed mogelijk, dat KAREL heeft uitgezonden,
herinneren jullie niet, dat we nog tegen elkaar hebben gezegd, dat is niet
het vlotte seinen, dat we gewoon zijn, er werd nog al stuntelig met vele
vergissingen geseind".
Dit klopt inderdaad, ik had DICK, die indien zulks later noodig mocht
zijn, mijn werkzaamheden zou overnemen, op zijn verzoek toegestaan, eens een
uitzending te verzorgen. En door onvoldoende routine, en doordat zijn zenuwen
hem nog al parten speelden, verliep één en ander niet erg vlot. Later, door
gestadig oefenen, is DICK een prima seiner geworden.
Van de gemaakte fout is dankbaar gebruik gemaakt. Niet alleen was ik van den
Haag af, doch viel, toen men mijn statistiek ging afwerken, bij al die plaatsen,
van waaruit werd uitgezonden, behalve dan de provincie Groningen,
op KAREL terug. Ik vertelde, dat ik eerst sedert eenige weken naar
Amsterdam was uitgeweken, dat het de bedoeling was, dat ik het heele
Engelandverkeer zou gaan verzorgen, doch door mijn arrestatie daarvoor geen
kans meer had gekregen. Ik had mij steeds moeten beperken tot de provincie
Groningen, een paar maal in Den Haag en tenslotte in Amsterdam.
KAREL had steeds het verkeer vanuit de andere plaatsen in het land doen
verzorgen. Ik verstrekte voor dat doel de kristallen en de telegrammen. In
verband met het feit, dat het geheele verkeer in mijn handen zou worden
gelegd, was ik begonnen met het aanleggen van een statistiek, die, zooals de
heeren zien, dan ook nog slechts voor enkele plaatsen is ingevuld, de
gegevens, die daarop voorkomen heb ik van KAREL ontvangen.
Slechts KAREL zou u dus daarover kunnen inlichten.
Men heeft dat geslikt en een groot aantal personen werd een arrestatie
bespaard.
Hoe ver het combinatievermogen van de heeren ging, moge blijken uit
het navolgende: boven aan die statistiek stond "Joure"; men had bij mijn
stukken een staatje gevonden, waarop mijn uitgaven stonden vermeld, zooals
reis- en verblijfkosten en andere noodzakelijke betalingen, en in dat staatje
stond o.m. "reiskosten naar Joure 2 personen zooveel". Het
noodzakelijke verband ontging de heeren echter, men aanvaardde grif, dat ik
nooit in Joure had uitgezonden.
|
|
Een moeilijk oogenblik was het, toen mijn ontvanger aan de beurt kwam.
Ik had deze HRO met medeweten van mijn chef van kantoor meegenomen.
Ik begon te zeggen, toen men mij vroeg, "Van wien is die ontvanger"?
"Hij is van mij". "Van wien hebt u die gekocht"? "Weet ik niet meer".
"Volkomen uitgesloten van een ontvanger, die 5 à 600 gulden heeft gekost, weet
men drommels goed, waar die gekocht is". Ik hield nog even vol met ontkennen,
tot één der technici opmerkte: "Dat zoeken we wel uit, er staan nummers op
het apparaat".
|
Het werd nu penibel. Er waren destijds door het radio-laboratorium een aantal
HRO ontvangers in Amerika besteld, die onder meer bestemd waren voor den
radio-contrôledienst
en de onder dien dienst resorteerende luisterposten.
Bij de PTT was natuurlijk een lijst aanwezig, waarop de nummers waren
vastgelegd met het dienstonderdeel waar heen de toestellen waren verzonden.
Het was dus een koud kunstje uit te vinden, dat het toestel van den
radio-contrôledienst kwam.
Terecht vreesde ik moeilijkheden voor mijn chef en misschien voor mijn
collega's, al wisten de laatsten niets van mijn werkzaamheden af.
Gelukkig vond ik een oplossing.
|
|
|
"Ik schaam me het te moeten zeggen, ik heb de
ontvanger op kantoor gestolen". Uitgesloten zei men, een dergelijke ontvanger
kan men niet, zonder dat het bemerkt wordt, van kantoor meenemen.
"Toch is het zoo, mijn vrouw had vorige winter eens een groot gebrek aan
brandhout. Ik herinnerde me, dat er in den kelder van den
radio-controledienst een aantal leege kisten stonden en ik ging op een avond
naar kantoor om één der kisten in elkaar te slaanen mee naar huis te nemen.
Ik ondekte daarbij, dat in een der kisten een complete HRO zat.
Dit was heel goed mogelijk, omdat al de luisterposten in het land hun
ontvanger hadden moeten opzenden, die door een bepaalde Duitsche instantie
zijn weggehaald. Vermoedelijk hebben ze deze ontvanger over het hoofd
gezien. Ik was natuurlijk wel in het bezit van een korte golfontvanger, doch
een HRO was stukken beter. Ik heb hem dus gestolen".
Ofschoon men bij latere verhooren nog wel heeft gepoogd, mij te laten
verklaren, dat mijn chef wel van het één of ander af wist, of minstens een
oogje dicht deed en mij voor mijn reizen vrij gaf, het mocht hen niet
gelukken. "Vraagt u maar na bij de PTT en dan zal het u blijken, dat ik
voor vier van die reizen al mijn reglementair verlof heb gebruikt". Ik vergat
er natuurlijk bij te zeggen, dat ik b.v. één dag verlof nam en met
toestemming van mijn chef er drie weg bleef. Gelukkig heeft nòch mijn chef,
nòch één der collega's moeilijkheden ondervonden. Zeldzame naievelingen.
Ik heb de nacht nà het verhoor door die technici niet kunnen slapen. Dat
geval "Groenmarkt 3" zinde mij niets. Eén blik op de kaart van Den Haag en
men moest bemerken, dat de Torenstraat daar practisch op uit kwam, één blik
op de amateurlijst en zij vonden daar RS (Reijns).
Hoe moest ik DICK nu waarschuwen, dat zij in de buurt zochten en dat hij een
poosje moest verdwijnen. En gelukkig vond ik de oplossing.
Ik herinnerde mij, dat in één van de orgels in het gebouw van de CJMV
een niet geheel compleet zendertje stond en ik besloot dit, althans
voorlopig, brokmateriaal op te offeren, en zoo mogelijk DICK redden.
Ik moest evenwel voorzichtig zijn. Ik kende de zwakke zijde van Haubrock wel,
maar moest oppassen, dat hij geen argwaan kreeg. Het risico aan de zaak
verbonden moest ik maar op den koop toe nemen.
Ik werd 's morgens opgehaald om in één van de kamertjes van het Oranje-Hotel
te worden gehoord. Ik begon direct: "Mijnheer Haubrock ik heb u een voorstel
te doen, ik weet vermoedelijk in Den Haag nog een zendertje te zitten.
Het kan naar mijn weten bij drie adressen zijn en is daar door KAREL
neergezet. Ik wil niet, dat er nog meerdere slachtoffers vallen en wil daarom
het geval, indien het daar nog aanwezig is, aan u doen overgeven.
Ik stel daarbij echter twee voorwaarden, de eerste is, dat, aangezien de
betrokkenen (ik herinner me, dat één van die adressen twee oude dames zijn !)
absoluut van niets af weten, - KAREL zette daar in den regel eenvoudig een
pakje neer -, dat u onder geen beding kennis krijgt van die adressen,
onschuldigen zouden anders vallen en de tweede voorwaarde is, dat u vanavond
mijn vrouw hier laat komen en aan haar schriftelijk door mij laat opgevenaan
welke adressen zij moet informeeren.
Alleen op die voorwaarde ben ik daartoe bereid".
Hij trapte er in: "Ik zal even met mijn chef overleggenen", belde het
Binnenhof op en vertelde wat ik hem had voorgesteld. Men ging accoord en mijn
vrouw werd opgebeld en medegedeeld, dat zij 's avonds mocht komen. Zelfs mijn
zoon mocht meekomen en zij mochten wat eten en wat te rooken mede brengen.
's Avonds werd mijn pantalon gehaald en kreeg die opgeperst terug.
Ik werd geschoren en mijn haar geknipt; de buitenwereld moest weten, hoe
uitstekend je daar verzorgd werd. (Dat ik in het begin met een baard van 3
weken had geloopen, ging niemand aan).
Om 7 uur werd ik uit mijn cel gehaald en naar een keurig gemeubileerde kamer
gebracht. Clubfauteils, een bank en perzen op den grond. Daar ontmoette ik
mijn vrouw en mijn zoon. Hoe wij ons eerst gevoelden, kan een ieder
begrijpen. Ik wilde natuurlijk eerst zorgen, dat mijn vrouw en zoon werden
veilig gesteld en ik zei tot mijn vrouw "Je begrijpt van zelf niet,
waarom ik gevangen ben genomen, welnu ik zal het je maar zeggen, ik heb met
Engeland gewerkt, zij hebben mij gepakt, ze hebben mijn zender, mijn
telegrammen, alles. het is dus afgeloopen met mij, doch wees niet boos, dat
ik er nooit met jullie over gesproken heb, ik mocht dat niet doen".
Mijn vrouw snapte mij direct en deed heel verbaasd. Zij had nooit kunnen
denken, dat ik zulk werk deed. Na een heelen tijd babbelen, in dit geval keek
Haubrock blijkbaar niet op een uurtje, moest ik wel tot de zaak komen en
vertelde mijn vrouw, dat er in Den Haag nog een zendertje stond; dat ik niet
wilde hebben, dat er nog meerdere slachtoffers, door te gaan spelen met dat
ding, zouden vallen en dat zij dat dus op moest halen. Moeilijk werd het,
toen mijn vrouw verontwaardigd antwoordde: "Ik pleeg geen verraad, ik doe
het niet".
En ik moest al mijn overredingskracht aanwenden, om haar tenslotte te kunnen
overhalen het te doen. "Goed, ik zal het doen, doch mits meneer Haubrock
zijn eerewoord geeft, dat hij mij niet laat volgen, ofschoon ik zelf ook wel
maatregelen zal nemen". Haubrock gaf zijn woord als officier, ik kreeg
een stukje papier en een potlood en terwijl Haubrock een meter of drie van me
af zat, schreef ik ongeveer het volgende:
|
"Wil, zoo mogelijk nog hedenavond, RS waarschuwen, dat peilingen zijn
richting uit wijzen, laat hij voorloopig onderduiken, vraag hem het apparaatje
uit orgel".
"U schrijft nogal veel" zei Haubrock,
waarop ik antwoordde: "Het zijn drie adressen en ik moet zoo volledig
mogelijk zijn".
Nu kwam het groote risico. Zou Haubrock het briefje afnemen? Het gebeurde
Goddank niet. Ik nam afscheid van mijn vrouw en zoon tot den volgenden avond,
de wacht liet hen uit de poort, Haubrock ging naar binnen met mij, de opzet
was geslaagd. Ondanks dat het reeds bij tienen was, heeft mijn vrouw
dienzelfden avond DICK nog gewaarschuwd; DICK heeft onmiddellijk het
zendertje opgehaald en is daarna enige weken verdwenen.
Ik heb bij mijn terugkeer gehoord, dat het onderduiken niet noodig is
geweest, zij zijn nooit in de Torenstraat geweest, ik had de heeren voor
snuggerder aangezien, dan zij in werkelijkheid waren.
Den volgenden avond weer eenige uren bezoek, Haubrock dolgelukkig met het
incomplete zendertje. Hij had alweer een trophee er bij. Vanzelfsprekend had
in mijn buren naast mij ingelicht over het tweede bezoek van mijn vrouw en
onmiddellijk werden er briefjes voor hun respectievelijke vrouwen geschreven,
die door het bekende gaatje werden toegestuurd, Ik had, met correspondentie
van mezelf, een zakdoek vol.
Mijn vrouw had een paar pannekoeken meegenomen,
waarvan ik er een paar mocht opeten, ik had vette vingers, de tasch van mijn
vrouw stond naast me en ik vroeg haar of ik even haar zakdoek mocht
gebruiken. Natuurlijk heb ik daarna met haar zakdoek, ook de mijne met de
briefjes in haar tasch gegooid. Bij dit bezoek slaagde ik er ook in mijn zoon
een aansteker afhandig te maken, we konden dus 's avonds in de cel rooken.
Eenige weken later werd bij een grondige visitatie van mijn cel, de aansteker
werd gevonden en mij natuurlijk afgenomen. De sigaretten, die ik boven op de
verwarmingsbuis had verstopt werden niet gevonden.
|
Na bijna 7 weken Oranje Hotel, werd ik nog vrij onverwachts, met FRED (Tijdgat)
naar Haaren gebracht, waar we op de zwaarste afdeeling werden ondergebracht.
Niet alleen Einzelhaft, doch ook de cellen aan beide zijden onbezet, zoodat
elk contact onmogelijk was. In die cel 29 heb ik twee en een halve week
gezeten en ben in dien tijd een paar maal op onderdeelen verhoord.
Op 3 november (1943) was mijn eenzaamheid afgeloopen en kreeg ik als
celgenoot mijn vriend Meindert, "Dr. Brouwer uit Bilthoven", waar ik practisch
tot aan onze bevrijding mee samen heb gezeten. Een beste kameraad, waarmede
ik veel lief en leed heb gedeeld.
We werden naar een andere afdeeling op de 2e verdieping gebracht en kregen
onderdak in cel 106. Het heeft nog meer dan twee weken moeten duren, voor we
voor het eerst na bijna 12 weken weer eens in de buitenlucht waren. Het eten
was ontoereikend, doch dankzij het Roode Kruis, die wekelijks een zakje met
boterhammen zond en ook 's Zondags versnaperingen en later ook rookgerij liet
uitdeelen, kwamen we er wel, al bleef er steeds honger bestaan. Het Roode
Kruis heeft ontzettend veel goed gedaan, we kunnen dat niet genoeg waardeeren
en niet genoeg dankbaar zijn.
Jammer was, dat op onze afdeeling de SS-wachtmeesters en die van de
Groene Politie stalen als de raven en zooals we later van de vloerwachters
hoorden, heele pakketten naar Duitschland zonden. Doch daar kon het Roode
Kruis niets aan doen.
Vele verhooren waren gewijd geworden aan den Chef van den O.D.
en den H.C.O, al ging de grootste interesse van de heeren uit naar den
eersten. Den Hoofd Code-officier had ook wel hun belangstelling en dien
wilden ze natuurlijk ook wel hebben, doch hoofdzakelijk om via hem den
Chef Staf in handen te krijgen. Met den Chef van den O.D.
was het al heel eenvoudig, deze hooge functionaris was mij volkomen onbekend
en ik had trouwens nooit pogingen gedaan om achter zijn identiteit te komen.
Met de HCO lag de zaak eenigszins anders. Met hem had ik verschillende
besprekingen gehad, zoowel bij mij thuis, als in zijn woning in Amsterdam.
Ik kon niet ontkennen den HCO nooit te hebben ontmoet, want bij mijn
stukken was een briefje van hem, dat begon met "in aansluiting op onze beide
laatste besprekingen met u enz".
Doch dit was niet zoo moeilijk op te lossen, want ik volstond met te zeggen
"Den HCO heb ik inderdaad eenige malen gesproken, doch we ontmoetten
elkaar steeds in de 1e klasse wachtkamer van het Centraal Station in
Amsterdam".
En de persoonsbeschrijving, welke ik tenslotte van hem moest geven, klopte
heusch niet met de ware gedaante van den nogal gezetten resident.
Eens werd ik in Haaren bij Haubrock ontboden, die mij op den man af vroeg:
"Was Oom Berend niet de Chef van den Staf"?
Ik ontkende, Oom Berend zat alleen in de kopgroep radio van den O.D.
Hij vroeg me nog eens nadrukkelijk:
"Was hij dus werkelijk de Chef van den O.D. niet"
en toen ik bleef ontkennen, liet hij zich ontvallen: "Oom Berend war
eingesperrt".
"War eingestelt" was mijn verwonderde vraag, hij is dus weer vrij?
"Meer kan ik u niet zeggen", "Er war eingesperrt".
Het was voor mij een duister iets, dat geval "Oom Berend" en ik hoop nog eens
de ware toedracht van deze zaak te hooren. Tot slot werd ik in Haaren nog
eens een week lang door een assistent van Haubrock een zekere Schumacher
ondervraagd over de bijlagen, doch moeilijkheden heeft dat verhoor niet
opgeleverd. Nieuwe gezichtspunten kwamen niet naar voren.
Al was het in Haaren absoluut onmogelijk iets van je buren te zien,
- elke cel werd namelijk op onze afdeeling apart gelucht -
toch hebben wij van Kerstmis [1943] tot aan mijn vertrek in
begin Juni [1944] contact gehad met een groot aantal "medebewoners".
We ontdekten plotseling, dat de waterleiding af en toe een geluid maakte,
alsof er met morse werd geseind. Direct nam ik proeven, eerst lieten we de
straal loopen en onderbraken we bij de kraan met onze vinger, doch dit gaf
geen behoorlijke resultaten.
We ondekten het plotseling. Wanneer je de kraan opende in het rythme van de
morseteekens, dan kon je op eenige afstand het geseinde gewoon op het gehoor
nemen. Charles Tijdgat, die twee cellen van ons af zat, had het geval ook in
de gaten en al spoedig hadden we een pracht van een draadlooze verbinding.
Het aantal stations breidde zich snel uit. Onze vriend naast ons kwan in de
"lucht", evenals onze overbuurman. Ook lange afstandsverbindingen werden
gemaakt, zoo met Gehrels uit Eindhoven, die op de 1e verdieping was
ondergebracht en daar een behoorlijk aantal cellen van ons verwijderd was.
Urenlang hebben we aan de kraan doorgebracht, nieuwsberichten kwamen door,
of werden door ons verzonden. Zoo kwam ik op een bepaalden dag ook in contact
via de kraan met onze O.D.-vrienden HEIN en JOOP, die in Amsterdam
op heterdaad waren gepakt.
Iederen avond werd je cel grondig door SS en Groene Politie onderzocht,
nauwkeurig werden de muren afgetast, of er soms gaatjes gemaakt waren, om
contact te krijgen met je buren, doch dat "kraanfanfare" hebben ze nooit
ontdekt.
Het leven werd in Haaren zelfs heel dragelijk, toen we na een half jaar
zitten iedere drie weken mochten schrijven en elke 14 dagen een pakje van
huis mochten ontvangen. Dank aan allen, die mild gegeven hebben, maar vooral
aan mijn vrouw, die geen moeite te groot achtte en ondanks de heerschende
schaarschste aan alles, zorg heeft gedragen, dat ieder 14 dagen een pakje
arriveerde, dat werkelijk "af" was. We zaten volop in onze tabak en wat dat
beteekent weet slechts degenen, die in dezelfde omstandigheden als wij hebben
verkeerd.
Op 3 Maart (1944) kreeg ik bezoek van mijn vrouw, al mochten we elkaar
slechts een kwartier zien, het gaf moed voor weken. Dienzelfden dag werden we
overgeplaatst naar cel 108 en kwamen we bij onzen FRED (Tijdgat) te zitten.
Een maand later werd, wegens plaatsgebrek, zelfs een vierde man bij ons
geplaatst, namelijk Loetje Franssen uit Dordrecht, een fijne boy, nog bijna
een kind, nauwelijks 20 jaar. De "bridge-club" was voltallig. Vreeselijk vind
ik het voor zijn ouders, dat ook deze jongen, nog zoo jong, is moeten vallen.
In Maart 1945, een maand voor de bevrijding, is hij in Hameln gestorven door
totale verzwakking. Hij was een gelovige jongen en dat zal hem ongetwijfeld in
zijn laatste oogenblikken kracht en vertrouwen hebben gegeven.
|
|
6 juni 1944, groote opgewondenheid in alle cellen. Langs de verwarmingsbuizen
kwam het bijna niet te geloven bericht, dat de zoo lang verwachte invasie had
plaats gevonden. Onze zender, de kraan, stond geen oogenblik stil. Eindelijk
was het dan zoo ver. Zouden onze gebeden zijn verhoord, want bidden leert men
in de gevangenis. Zou er toch nog een kansje zijn om gered te worden? Hoevele
malen hadden we niet tegen elkaar gezegd: "Wanneer komen ze nou" en nu waren
zij dan gekomen, al was het nog ver weg in Frankrijk. Zouden meerdere
invasies plaats vinden, ook in Nederland en hoe zouden ze hier doorstoten?
Alle mogelijk veronderstellingen werden geuit, hooge militairen, mannen van
de Engelschen geheimen dienst en nog onervaren jongens, allen gaven hun
meening, de één al hoopvoller dan de ander.
|
Doch den volgenden morgen daalde de barometer met sprongen. Om een uur of
negen bezoek van den een of anderen stuk Führer van de SS.
"Van Schendel, Tijdgat en Brouwer fertig machen, Sie gehen auf
Transport".
Dag invasie. We gingen met ons zessen, twee aan twee geboeid. Waarheen wist
natuurlijk geen der SS-ers, de begeleidende bewakers overtroffen het
aantal slachtoffers belangrijk. Eerst in een vrachtwagen naar Vught en daar
in den trein. In Utrecht was het uitstappen en de lange tocht naar het Huis
van Bewaring in de Gansstraat ving aan. Aan elkaar geboeid, in de andere hand
je koffer en overige bagage, overnemen in je andere hand was vanzelf
onmogelijk. Bovendien, terwijl het een vrij warme dag was, je dikke winterjas
aan. Een tocht om nooit te vergeten.
We kwamen in de Kriegswehrmachtgefängnis, het begin van het einde.
Zooals de badmeester, de eenige Hollander, een prachtkerel, mij zeide, voor
de luitjes geldt hier het bekende: "Wie hier binnenkomt, laat alle hoop varen".
Wat deze man voor de slachtoffers heeft gedaan, grenst aan het ongelooflijke.
Voor mij en mijn vrienden heeft hij onmiddellijk de resp. vrouwen ingelicht.
Hij liet mij tabak houden, om in mijn cel te kunnen rooken, al moest dat
laatste 's nachts of in de late avond geschieden. Ik kreeg elke week bij het
baden een tiental lucifers, een weelde, die een niet-gevangene nooit kan
beseffen. Mijn grootsten een eeuwigen dank heeft hij verdiend, met wat hij
voor mij als Katholiek heeft gedaan. Hijzelf was eveneens Katholiek.
Toen hij hoorde, dat ook ik wel ter dood zou worden veroordeeld, heeft hij
viermaal een gewijde H.Hostie voor mij naar binnen gesmokkeld en daaraan dank
ik de groote rust en volkomen overgave in de dagen na mijn doodvonnis.
Ik kwam in cel 32, de eerste dagen alleen, daarna met Bram Sluiter, een loods
uit Maassluis, die in Den Bosch ter dood was veroordeeld, doch gelukkig later
gratie kreeg en tot 5 jaar tuchthuis werd veroordeeld. Een zeldzame
prachtkerel, met wien ik de moeilijkste doch ook de mooiste dagen van mijn
leven heb mogen doorbrengen. Bram is Goddank terug en we hebben elkaar reeds
de hand mogen drukken.
|
28 Juni 1944, de rechtzitting. Was ontzettend benieuwd, of er ondertusschen
nog meerdere vrienden zouden zijn gearresteerd. Maar gelukkig was het bij de
zes gebleven, In de volgorde "Van Schendel-Tijdgat-Beenen-Graafhuis-Bolhuis en
Veldstra" werden we in de zaal opgesteld.
Een groene tafel, waarachter een hoog officier als president, aan beide
zijden van hem een militairen rechter, aan de zijkant van de tafel een nijdas
van een officier van justitie. Achter hen een borstbeeld van mijn vriend
Hitler. Aan een tafel ter rechterzijde de tolk, natuurlijk ook keurig in
uniform, plus twee heeren in burger, die zich later ontpopten als de
advocaten. Aan de andere zijde van de zaal een tafel met een tweetal jonge
dames, die zich al van te voren zaten te verlustigen in een aantal
doodvonnissen, dat ongetwijfeld zou volgen.
Achter ons de Sacharbeiter Haubrock. Het geheel werd opgeluisterd door een
aantal bewakers, leden van de Feldgendarmerie.
Na de kennismaking, die bestond in het brengen van den Hiltergroet door den
president, moesten de anderen vertrekken en nam mijn verhoor een aanvang.
Jonge, jonge, wat een dossier. Er werd mij gevraagd, wat ik wilde, moest het
geheele dossier van A tot Z worden behandeld, of wilde ik zelf een verhaaltje
doen, of wilde ik volstaan met te antwoorden op vragen van den president.
Ik koos het laatste, het eerste duurde me veel en veel te lang en in een
verhaaltje kon je nog wel eens een onvoorzichtige uitlating doen. De eerste
ronde duurde een uur of twee. Ik bekende natuurlijk rustig wat ik gedaan had
en vanzelf kende ik ook nu al de medewerkers slechts bij hun schuilnaam.
Een greep in het dossier: "Hebt u via Zweden aan Engeland gevraagd of
bepaalde rantsoenbonnen konden worden nagemaakt? en "Hebt u verzocht voor
Radio-Oranje een bepaalde slagzin te willen uitspreken?"
(Deze zaak was zoo: er was dringend behoefte aan levensmiddelenbescheiden,
met medeweten van den Chef Staf was daarom voor de ondergedokenen en
medewerkers van den O.D, die onafgebroken op reis moesten, eenige
rantsoenbonnen naar Engeland gezonden, met de vraag, of deze bonnen zouden
kunnen worden nagemaakt. Aan mijn vrouw komt de eer toe, de beide slagzinnen
te hebben ontworpen. Kon Engeland de bonnen namaken, dan moest de slagzin:
"Eet wat gaar is" worden uitgesproken.
Kon men het niet, dan de zin "Haal de buikriem wat vaster aan".
Er kwam de zin "Eet wat gaar is" en onmiddellijk volgde de telegrafische
bestelling van den Chef Staf aan Engeland:
Zooveel duizend rantsoenbonnen, boter, zooveel duizend vleesch, zooveel
duizend brood, enz, enz).
Ik bekende het verzoek via Zweden aan Engeland te hebben gedaan.
"En u hebt ook het antwoord gehoord en wat was dat"?
"Eet wat gaar is".
Hevig dispuut achter de groene tafel. Het bestond niet dat er naar
Radio Oranje kon worden geluisterd, de Engelsche zenders werden zóó gestoord,
dat luisteren onmogelijk was, waarop ik maar steeds, tot groote verbazing van de
heeren herhaalde "Wij luisteren steeds naar Engeland en het gaat prima"
Aan mijn zondenregister werd toen nog toegevoegd, het in gevaar brengen van
de voedselpositie in Nederland en het luisteren naar de verboden zenders.
Ik mocht op den gang gaan zitten. Tijdgat kreeg zijn beurt. Een mijnheer in
burger nam mij mede naar een andere kamer en vertelde mij: "Ik ben uw
advocaat; u begrijpt het natuurlijk, u bent reddeloos verloren. Ik moet iets
zeggen, dat is mijn plicht, doch zin heeft het absoluut niet. Steekt u maar
een sigaret van me op".
De Duitsche verdediging.
Ik werd nog eenige malen binnen geroepen, gedurende
het verhoor van Beenen en Graafhuis. Het was van den eersten bekend, dat hij
wel eens voor mij een bericht van Engeland had genomen (hoe dat bekend was,
is me nog altijd raadsel) en Beenen, die natuurlijk voor zijn leven vocht,
verklaarde niet te weten, dat dat bericht uit Engeland kwam en meende
dat het een proefuitzending van den
radiocontrôledienst was, omdat ik het hem had verzocht.
Ik deelde mede, dat Beenen één van onze jongste medewerkers was en wij hem
natuurlijk nog niet van alles op de hoogte hadden gebracht. Graafhuis die in
Amersfoort al onze besprekingen als Radio-commandant had medegemaakt, werd,
behalve zijn arbeid voor het binnenlandsche net, verweten van de verbinding
op Engeland kennis te hebben. Graafhuis ontkende vanzelfsprekend en ik
verklaarde dat de besprekingen bij JOHAN altijd zoodanig waren, dat de
groepjes, die bij een bepaald onderdeel van de kopgroep radio behoorden,
afzonderlijk hun aangelegenheden met elkaar bespraken.
Dat Graafhuis dus niets van de verbinding op Engeland af wist, is niet alleen
mogelijk, maar ook begrijpelijk.
|
Daarna het requisitoir van mijnheer den officier. Het kwam in het kort hierop
neer, dat in geheel Nederland niet zoo'n schurk rondliep als Van Schendel.
Hij was één van de grootste spionnen en zijn familie moest tot in lengte van
dagen aan den lijve ondervinden, dat zij een spion in hun midden hadden
gehad. Daarom eischte hij den doodstraf, dat sprak van zelf, doch bovendien
moesten alle eigendommen van mij in beslag worden genomen. Het zelfde pak
slaag kreeg Charles Tijdgat. Ook hij kreeg doodstraf en in beslagname van
zijn eigendommen. Harry Beenen doodstraf, had berichten van Engeland genomen.
Graafhuis en Bolhuis elk 12 jaar en Veldstra 8 jaar tuchthuis.
We mochten, na het uitspreken van deze eischen, nog allemaal wat zeggen en ik
had nog een allergezelligst debatje met dien bulderhond van een officier, die
ons militaire spionage wilde aanwrijven, het bericht van aankomst van de
negatieven 101 uit het dossier had gelicht.
Ik kon hem heerlijk aantoonen, dat zijn voorbeeld kant noch wal raakte en dat
het hier betrof de negatieven van CODE 101.
Na een half uurtje op de gang, de rechtbank ging in beraad.
Uitspraak: van Schendel en Tijdgat den doodstraf,
Harry Beenen 15 jaar, Graafhuis en Bolhuis elk 12 jaar en Veldstra 10 jaar
tuchthuis. Ik werd nog even voorgeroepen, de president had verzuimd te
vragen, waarom ik dat werk had gedaan. "Omdat ik als Nederlander verplicht
was dat werk voor mijn land te doen".
Mijn eenigste gunst, die ik vroeg, of ik vóór de voltrekking van den doodstraf
nog afscheid zou mogen nemen van mijn vrouw en kinderen werd afgewezen;
huilende vrouwen en kinderen hadden zij genoeg bij zich gehad. Ik kon een
verzoek om gratie indienen, moest binnen 14 dagen in het bezit van de
Duitsche autoriteiten zijn. Een pracht gebaar, want de brief, die ik den
volgenden dag aan mijn vrouw schreef en waarin ik haar meldde, dat ik ter
dood was veroordeeld en dat zij gratie verzoeken mocht inzenden, kwam 16
dagen later eerst in haar bezit.
Wel vernam ik nog, dat de voltrekking van het vonnis in den regel tusschen de
4 en 6 weken na de rechtzitting wordt voltrokken. Het was dus maar afwachten
en Bram kan getuigen, dat we nooit in de put hebben gezeten en het inderdaad
de mooiste dagen van ons leven zijn geworden.
Hoorde nog van Harry Beenen, dat hij eens aan Haubrock had gevraagd,
of Van Schendel en Tijdgat nog een klein kansje hadden,
Zijn antwoord luidde: "Er is geen macht in de wereld die hen nog kan
redden".
Onbewust had die man de waarheid gezegd - geen macht in de wereld, de hogere
macht kende hij niet. Onvergetelijke dagen met Bram, veel bidden, veel zingen
en veel kaarten; de dagen vlogen om. Dagelijks bij het luchten in de
afzonderlijke kooien klinkt steeds de kreet: "Van Schendel kop op, moed en
vertrouwen"!
Zoo verstreken de dagen en de weken, de 4e week brak aan, het
zou nu wel gauw gaan gebeuren.
Op 28 Juli [1944] (Bram had inmiddels gratie gekregen en was naar Duitschland
gebracht en had daarna een heerlijke week samengezeten met mijn besten vriend
Meidert Brouwer, om tenslotte van cel 34 te worden gebracht naar cel 9 bij
Bijkerk) kwam een wachtmeester bij ons binnen en moesten we een kaart
afteekenen, waar onze bezittingen op stonden vermeld, daarna moesten we onze
kleeren inleveren en onze koffers pakken.
Zou het zoo ver zijn?
We trachten onzen bewaker uit te hooren: "Worden we
vannacht doodgeschoten"? Hij wist het niet, vond het alleen vreemd, dat
er zooveel bij betrokken waren. Dus maar afwachten. We gebruikten onze
laatste lucifer, om "zwart" onze laatste cigaretten op te rooken en zijn toen
gaan slapen.
Hoe onbegrijpelijk het ook moge klinken, we hebben inderdaad
rustig geslapen en toen de bel in de gevangenis ging en zagen, dat het
al licht buiten was en zeiden we tot elkaar, blijkbaar worden we toch niet
doodgeschoten.
Het bleek 4 uur te zijn, we kregen koffie met brood en werden buiten onze cel
gehaald. Er kwamen steeds meerdere slachtoffers, ook mijn vrienden Brouwer en
Tijdgat. We kregen onze bagage, werden aan lange kettingen aan elkaar geboeid
en naar buiten gebracht. De geheele omgeving was afgezet, machinegeweren
stonden opgesteld, de spoorbomen omlaag en we werden in een autobus geladen,
in totaal een man of 35. Onder zware bewaking gingen we naar Haaren, alwaar
nog een bus met doodstraffers werd gevuld en we gingen in de richting
Duitschland. Bij het passeeren van den grens klonk plechtig het Wilhelmus en
"Het is een plicht, dat iedere jongen", waar "Voor Koningin en Vaderland"
natuurlijk extra hard werd gebruld. Wij waren in het gehate Duitschland en
werden gebracht naar de gevangenis in Anrath bij Krefeld.
|
Op 15 April 1945 werd van Schendel door de Amerikanen bevrijd.
Hij keerde terug naar Nederland, waar hij zijn oude baan bij de
RCD
weer opnam. Tevens schreef hij het bovenstaande relaas aan de Chef
van de OD, jonkheer Pieter Jacob Six.
|